In de Kunsthal in Rotterdam is tot en met 30 juni dit jaar de expositie Science Fiction. A Journey Into the Unknown te zien. 850 unieke objecten geven een gedetailleerd en omvangrijk overzicht van ruim honderd jaar sciencefiction, ‘een razend populair genre’, aldus de website van de Kunsthal. De aanwezigheid van sciencefiction in de populaire cultuur is evident. Een blik op het aanbod van Netflix laat zien dat het genre met series als Black Mirror en Stranger Things de weg naar het grote publiek gevonden heeft.

De populariteit van sciencefiction is ook zichtbaar in de literatuur: denk aan The Handmaid’s Tale (1985) van Margaret Atwood (inmiddels ook verfilmd tot een succesvolle serie), het recent verschenen The Circle (2013) van Dave Eggers of The Power (2016) van Naomi Alderman. Ook zijn er legio voorbeelden van inmiddels klassiek geworden sciencefiction, zoals Brave New World (1932) van Aldous Huxley, Fahrenheit 451 (1953) van Rad Bradbury of Nineteen Eighty Four (1949) van George Orwell.

Het blijkt echter moeilijk om een dergelijk lijstje van Nederlandse literatuur te maken. Ik denk aan boeken van Hugo Raes, die met zijn werk vooral bekendheid genoot in de jaren zestig en zeventig. Of aan de romans van Hannah Bervoets, al worden die in de receptie o.a. geclassificeerd als ‘bijna-sciencefiction’. ‘Echte’ sciencefiction blijkt een brug te ver. Voorbeelden van Nederlandse klassiekers in het genre zijn nog zeldzamer. Er wordt dan ook vaak gedacht dat literaire sciencefiction in Nederland een niche is. Klopt dat?

Het is niet zo dat er geen Nederlandse sciencefiction wordt geschreven. We hebben sinds vorig jaar zelfs een online literair tijdschrift dat gewijd is aan het genre: 2.3.74. In LiteRom geeft de term ‘sciencefiction’ voor de periode 2000-2019 zo’n 200 hits. Het overgrote deel daarvan bestaat echter uit romans die we niet als ‘literatuur’ beschouwen, maar als ‘pulp’. Sciencefictionromans die besproken worden in de ‘serieuze’ literaire kritiek (Trouw, NRC, De Volkskrant, De Standaard, etc.) zijn schaars. Een kleine greep uit de recente romans die in de kritiek het predicaat ‘sciencefiction’ kregen: De engelenmaker (2005) van Stefan Brijs, Boot (2008) van Hans van Wetering, Massa (2012) van Joost Vandecasteele, Alles wat er was (2013) van Hannah Bervoets, Slaap zacht, Johnny Idaho (2015) van Auke Hulst, Klont (2017) van Maxim Februari, In alle steden (2017) van Aukelien Weverling, De goede zoon (2018) van Rob van Essen en Concept M (2018) van Aafke Romeijn.

Dit korte lijstje laat zien dat het predicaat wordt toegepast op romans met een zeer uiteenlopende thematiek. Bovenstaande romans gaan over ‘realistische’ thema’s als vriendschap, familierelaties, wetenschap, geloof, maar ook over meer sciencefictionachtige onderwerpen als post-apocalyptische werelden, dystopieën, de toekomst en technologie. Kennelijk bestaat er verwarring over wat sciencefiction nu precies is en wordt de term gebruikt voor alles wat afwijkt van realisme. Die verwarring lijkt voort te komen uit het feit dat literaire sciencefiction weinig aandacht krijgt: niet van wetenschappers, niet van critici en (wellicht daarom?) ook niet van schrijvers.

In deze reeks wil ik licht werpen op het genre sciencefiction in Nederland. Waarom verschijnt er relatief weinig literaire sciencefiction in Nederland? Ook wil ik aan de hand van een casestudy laten zien wat (h)erkenning van het genre kan opleveren voor de interpretatie en waardering van sciencefictionliteratuur. Daartoe zal ik in deze bijdrage het genreframe van sciencefiction expliciteren en dat frame in een volgend stuk toepassen op de recent verschenen roman Concept M (2018) van Aafke Romeijn.

Romeijns roman is interessant, omdat het de enige recente Nederlandse literaire roman is die expliciet als sciencefiction is geprofileerd. Romeijn spreekt op haar website van ‘mijn sciencefictiondebuut’. In een interview met De Futurist zegt ze:

Mijn redacteur bij de Arbeiderspers vond het in het begin heel spannend om het boek sciencefiction te noemen. Het is nog steeds een stigma dus niemand zou het gaan lezen, recensenten zouden het meteen wegflikkeren. Toen besloten we het ‘politieke sciencefiction’ te noemen, want ik wilde het woord sciencefiction er per se in hebben.

Recensenten ‘flikkerden’ de roman niet weg, het boek werd juist positief onthaald. Het sciencefictionframe werd daarbij overgenomen: Trouw spreekt ook van ‘politieke sciencefiction’ en online bespreekt Hebban het boek in de sciencefictionleesclub. Max Urai bespreekt Concept M voor De Reactor en schrijft:

Nederlanders zijn net zulke grote sciencefictionlezers als anderen, maar er wordt nog steeds erg weinig in dat genre geschreven, en nog minder gepubliceerd. De meer highbrow Amerikaanse sci-fi (Philip K. Dick, Ursula Le Guin) heeft inmiddels een zweem van radical chic gekregen onder literatuurcritici en op universiteiten, maar er zijn nauwelijks Nederlandstalige romanschrijvers die in het genre werken, en nog minder die daar erkenning voor krijgen. Het Nederlandstalige boek waar Concept M nog het meeste op lijkt, qua insteek en qua stijl, is Blokken van F. Bordewijk, en dat komt uit 1931. Voor sciencefictionfans is het dan ook een zeldzaam plezier om een roman tegen te komen die zo sciencefiction en tegelijkertijd zo Nederlands is.

Bovenstaand citaat bevestigt het hardnekkige idee dat ‘sciencefiction’ en ‘Nederlands’ maar moeilijk samengaan. Urai verklaart het gebrek aan Nederlandstalige sciencefiction vanuit de ‘monogame relatie die de Nederlandse literatuur soms met literair realisme lijkt te hebben’. Ook Christiaan Weijts zoekt de verklaring in dezelfde hoek. Hij typeert de Nederlandse literatuur als ‘miniatuurrealisme binnenkamers’: ‘niet de verbeelding, wel het realisme’, schrijft hij. Het is een veelgehoorde verklaring, die mij echter ontoereikend lijkt. Er is meer aan de hand.

Imagoprobleem

Eén van de dingen die naar mijn idee een belangrijke rol spelen, is het imagoprobleem dat het genre nog altijd heeft, het stigma dat Romeijn zelf ook al noemde. Dat er sprake is van zo’n stigma, wordt duidelijk als we kijken naar de receptie van sciencefictionromans. Ter illustratie een passage uit de bespreking van Margaret Atwoods The year of the flood (2009) in NRC:

Ze wil pijn doen met wat ze schrijft. Om die reden heeft Margaret Atwood haar laatste boek Het jaar van de vloed aangeduid als ‘speculatieve fictie’. Want zou de Canadese schrijfster spreken van sciencefiction, dan wordt de angel gehaald uit haar roman, waarin ze een gitzwart toekomstbeeld schetst. Sciencefiction is in wezen een ongevaarlijk B-genre. Het spreekt tot de verbeelding, maar kan zonder gewetensnood opzij geschoven worden.

Niet alleen noemt de recensent sciencefiction een ‘ongevaarlijk b-genre’, de schrijfster zelf wil er niet mee in verband gebracht worden, iets wat haar door fans niet in dank is afgenomen. Als gevestigd auteur had Atwood het genre naar een hoger niveau kunnen tillen, maar ze koos ervoor zich er nadrukkelijk van te distantiëren. Tien jaar later, april dit jaar, wordt duidelijk dat er weinig is veranderd. Ian McEwan zei in een interview over zijn nieuwste roman Machines like me (2019), die o.a. kunstmatige intelligentie als thema heeft, nadrukkelijk dat het géén sciencefiction was. Sciencefictionliefhebbers en -schrijvers ontploften. De kwestie Atwood en McEwan demonstreert dat sciencefiction een imagoprobleem heeft, óók in het Angelsaksische taalgebied. Er wordt echter ook duidelijk waarom er ondanks dat slechte imago toch Engelstalige literaire sciencefiction verschijnt. Literaire auteurs schrijven wel sciencefiction, maar noemen het simpelweg niet zo. Het probleem daarvan is dat het stigma op die manier blijft bestaan.

The Guardian wijdde naar aanleiding van de ‘rel’ rondom McEwan een stuk aan de vraag waarom auteurs sciencefiction nog altijd afwijzen. Daarin wordt geconcludeerd dat er sprake is van een ‘institutionalised disrespect for the genre’. Er zijn verschillende ideeën over waar dat vandaan komt. Mogelijk speelt jaloezie van het literaire etablissement ten opzichte van goedverkopende sciencefictionschrijvers een rol. De meest logische verklaring lijkt echter te liggen in de wortels van het genre, want: ‘its origins are brash and cheap’. Hoe zit dat?

De term sciencefiction is vrij jong en afkomstig van Hugo Gernsback (die het nog ‘scientifiction’ noemde), de editor van pulpmagazines Amazing Stories (1926), Science Wonder Stories en Air Wonder Stories (1929). De naam ‘pulpmagazine’ is een verwijzing naar het goedkope papier waarop de verhalen werden gedrukt. De tijdschriften werden voor een massapubliek gepubliceerd en verschenen in verschillende genres, zoals detectives, horror en sciencefiction. Het is dus niet verwonderlijk dat horror en detectiveverhalen met eenzelfde stigma worstelen als sciencefiction. Al deze genres worden nog altijd beschouwd als genrefictie: fictie waarin het plot en de genreconventies voorop staan. De verhalen hebben het doel de lezer te laten ontsnappen aan de werkelijkheid. Daardoor wordt dit soort proza over het algemeen lager gewaardeerd dan erkende literatuur, waarin vorm belangrijker is dan de plot en het veel meer draait om de psychologische ontwikkeling van personages. Het gaat hier dus in wezen om een botsing tussen hoge en lage cultuur.

Dat dit alles voor Nederland ook geldt, maakt Evelien van Nieuwenhoven duidelijk in een stuk dat ze in februari dit jaar schreef voor De Fusie. Hierin schrijft ze over het gebrek aan (waardering voor) toekomstfictie in Nederland in de literaire kritiek. Nu zijn de toekomstfictie waarover Van Nieuwenhoven het heeft en sciencefiction niet per definitie hetzelfde, maar veel voorbeelden uit recensies die Van Nieuwenhoven aanhaalt komen wel uit besprekingen van sciencefictionromans. Zij concludeert dat enerzijds veel critici zich negatief uitlaten over toekomstfictie en dat anderzijds schrijvers zelf ook bijdragen aan de miskenning van dit soort romans doordat zij hun naam er niet expliciet aan willen verbinden. Dat zagen we ook bij Atwood en McEwan. Het is daarom op zijn minst dapper te noemen dat Aafke Romeijn ervoor kiest haar debuut Concept M expliciet als sciencefiction te profileren.

Interessant is in dit verband een stuk uit NRC, waarin Ger Groot zich vorig jaar afvroeg of ‘echte’ sciencefiction nog wel bestaat:

Wie afgaat op de bekroonde sf-boeken van afgelopen jaar vraagt zich onwillekeurig af of sciencefiction nog wel bestaat. De technologische fantasie heeft het moeten afleggen tegen politieke en sociale thema’s […]. Ingrijpender is de toenemende psychologisering van het genre […]. De vaak bordkartonnen karakters uit de jaren vijftig en zestig zijn uitgegroeid tot echte personages met een volwassen innerlijk. Het is misschien te veel gezegd dat de sf daarmee ook als romantype werkelijk volwassen is geworden – en zich daarmee als afzonderlijk genre op hetzelfde moment opheft. Maar vager zijn de grenzen wel geworden: niet alleen tussen fantasy en ‘harde’ sciencefiction, maar ook tussen die laatste en de maatschappelijke en psychologische rijkdom van de roman in het algemeen. Dat is winst.

Groot benadrukt de grensvervaging van het genre, die ik in de inleiding al even aan de orde stelde. Daarnaast stelt hij een toenemende psychologisering van personages vast. Het genre is geëvolueerd: niet langer staat enkel de technologische fantasie centraal, maar het draait steeds meer om politieke en sociale thema’s. En niet alleen om het ‘grote verhaal’ krijgt een plaats, maar ook het verhaal van het individu.

Ik denk dat Groot gelijk heeft: de sciencefiction van nu is niet die van vijftig jaar geleden. In recente sciencefiction heeft de psychologie van personages inderdaad een steeds belangrijkere plaats. Die evolutie heeft er echter nog niet voor gezorgd dat het stigma dat op sciencefiction rust is verdwenen. Meer (wetenschappelijke) aandacht voor het genre kan daaraan mogelijk wel bijdragen.

Het stuk van Van Nieuwenhoven is daartoe een mooie aanzet, maar het is jammer dat Van Nieuwenhoven – net als de literaire kritiek – geen duidelijk onderscheid maakt tussen toekomstfictie, sciencefiction en utopieën. Dat lijkt logisch, omdat deze genres een grote gemene deler hebben: de extrapolatie en speculatie. Vandaar dat vaak ook de term ‘speculatieve fictie’ of ‘what-if scenario’ worden gebruikt. Zo’n gemeenschappelijke noemer doet echter geen recht aan de onderlinge verschillen, die wel degelijk betekenisvol zijn. Bovendien zijn sommige elementen of subgenres van zowel sciencefiction als de utopie maar moeilijk onder te brengen in het genre van de toekomstliteratuur, zoals Thomas Pierrart laat zien in Spiegel der Letteren.

Als we deze genres als volwaardige, op zichzelf staande genres zouden bestuderen, komt dat de waardering en erkenning ervan naar mijn idee ten goede. Daarom acht ik het van belang wat dieper in te gaan op de definitie van sciencefiction en de afbakening van het genre ten opzichte van verwante genres. Daarbij zal ik gebruikmaken van de bevindingen van Pierrart. Ook hij stelt vast dat in de literaire kritiek en literatuurwetenschap het onderscheid tussen sciencefiction, toekomstliteratuur en utopieën problematisch is, maar hij doet niettemin een poging tot afbakening van het genre van de toekomstliteratuur ten opzichte van sciencefiction en de utopie.

Naar een definitie van sciencefiction

Om een roman via het genreframe van sciencefiction te lezen, is het noodzakelijk om dat frame te expliciteren. Het blijkt echter moeilijk om het genre te definiëren. Sciencefiction vertoont veel overeenkomsten met andere genres. Niet voor niets schrijft David Seed in Science Fiction: A very short introduction (2011): ‘To call sciencefiction a genre causes problems because it does not recognize the hybrid nature of SF works’. Hij stelt daarom voor om sciencefiction te beschouwen als een ‘mode or field where different genres and subgenres intersect’. Wellicht is dit gegeven nóg een verklaring voor de problematiek rondom sciencefiction. Een genre dat eigenlijk geen afgebakend genre is, zal niet snel als volwaardig worden beschouwd en gewaardeerd.

Misschien biedt het Algemeen Letterkundig Lexicon een uitkomst. Daarin lezen we de volgende definitie van sciencefiction:

[Een] subgenre van de fantastische literatuur dat zich van soortgelijke subgenres onderscheidt door de ogenschijnlijke rationaliteit ervan, waarbij gebruik gemaakt wordt van (natuur)wetenschappelijke kennis, veelal in zijn gevolgen geëxtrapoleerd in een toekomstige maatschappij ergens op aarde of ergens in het heelal. In sciencefiction (SF) is een tweetal hoofdtypen te onderscheiden, een groep waarin het heelal als plaats van handeling wordt gekozen en een groep waarin het verhaal in de toekomst speelt. Bij beide typen kan het gaan om de gevolgen van nieuwe technologische ontwikkelingen voor de mensheid.

Over het algemeen wordt Mary Shelleys Frankenstein (1818) als de eerste sciencefictionroman aangewezen. Er zijn echter veel oudere werken die je als sciencefiction kunt beschouwen, zoals Een ware geschiedenis van Lucianus van Samosata (geschreven in de tweede eeuw na Christus), dat gaat over een reis naar de maan en ruimteoorlogen, thema’s die we tegenwoordig zonder twijfel associëren met sciencefiction. Het type literatuur is dus eigenlijk veel ouder dan de pulpmagazines van Gernsback.

In de jaren vijftig en zestig kende sciencefiction een grote bloeiperiode, ook in Nederland. Wetenschappers en technici kwamen toen steeds dichter bij het realiseren van fantasieën van sciencefictionschrijvers. Het genre is sindsdien, zoals eerder opgemerkt, sterk geëvolueerd, waardoor er inmiddels talloze subcategorieën zijn ontstaan en een grote variëteit aan thema’s wordt besproken. In de praktijk blijken – zoals we al zagen – romans met heel uiteenlopende thema’s o.a. in de kritiek het predicaat ‘sciencefiction’ te krijgen, zoals romans over ruimtereizen en buitenaardse wezens, alternatieve werelden, alternatieve geschiedenis, androïden en robots, cyborgs, post-apocalyptische werelden, supervermogens en dus toekomstscenario’s, utopieën en dystopieën.

Volgens het Lexicon bestaat er daarom een nauwe verwantschap tussen genres als sciencefiction, de utopie, dystopie en toekomstroman. Dat blijkt uit het feit dat de lemma’s onderling naar elkaar verwijzen. Ook in de literaire kritiek en de literatuurwetenschap worden deze termen als synoniemen gebruikt. Het Lexicon biedt dus geen sluitende definitie. Wat onderscheidt sciencefiction van de utopie en de toekomstroman? Om daarachter te komen, moeten we de gemeenschappelijk kenmerken wat beter bekijken.

De gemene deler van deze genres is extrapolatie, wat het verlengen, intensiveren of uitbreiden van bepaalde elementen of ideeën uit de contemporaine werkelijkheid naar een denkbeeldige realiteit betekent. Het draait dan eigenlijk om de vraag: wat gebeurt er als dit zo doorgaat? Een ander middel waarmee een non-existente realiteit kan worden vormgegeven, is speculatie. Hierbij draait het om de vraag: wat zou er gebeuren als…?

De alternatieve realiteit die wordt geschetst, kan utopisch, anti-utopisch of dystopisch zijn. De term utopie is een samenstelling van het Griekse οὔ (geen) en τόπος (plaats). Met een woordspeling op ευ (goed) betekent het goede plaats. Lyman Tower Sargent definieert utopisme als ‘social dreaming’: ‘The dreams and nightmares that concern the ways in which groups of people arrange their lives” (Lyman Tower Sargent, Utopianism: a very short introduction, 2010). Onder utopische literatuur verstaan we dus literatuur die een denkbeeldige ideale maatschappij beschrijft. Het genre werd geboren met Utopia (1516) van Thomas More. Sciencefiction wortelt in het genre van de utopie. De tegenhanger daarvan is de dystopie (δυσ- is Grieks voor slecht), waarin de slechtst denkbare of onwenselijke maatschappij onderwerp is.

De dystopie is momenteel geweldig populair, met name in films en tv-series. Denk bijvoorbeeld aan The Hunger Games of The Walking Dead. Enkele bekende literaire voorbeelden zijn de eerdergenoemde romans The Handmaid’s Tale, Brave New World en Nineteen Eighty Four. Het zijn romans die zowel sciencefiction als dystopie zijn. Er zijn ook recente literaire voorbeelden zoals Sousmission (2015) van Michel Houllebecq, dat een geïslamiseerd Frankrijk beschrijft en The Wall (2018) van John Lanchester, dat over een volledig ommuurd Engeland verhaalt. LiteRom leert dat het gebruik van de term ‘dystopie’ in literaire recensies inderdaad sterk is toegenomen in het afgelopen decennium: van de 66 recensies en boekbesprekingen die het woord ‘dystopie’ of een afgeleide daarvan gebruiken, verschenen er maar liefst 57 ná 2010.

Of een non-existente realiteit als utopie of dystopie begrepen wordt, hangt sterk af van de lezer en diens wereldbeeld en maatschappelijke positie. Het zijn geen statische begrippen. Wat utopisch is en wat dystopisch, is historisch bepaald. Het idee van een ideale staat wordt in 2019 anders ingevuld dan in 1919. Dat is ook de reden dat veel utopische romans uit andere tijden nu op de lachspieren werken, of als vreselijk saai worden ervaren. Het kenmerk van een utopische samenleving is immers dat het een geordende samenleving is. Om die ordening te bereiken zijn er twee wegen: die orde afdwingen (waardoor de utopie vaak verandert in een dictatuur, een dystopie) of een collectivistische utopie, waarin enkel volmaakte mensen wonen: menslievend, vergevingsgezind, eerlijk, kortom: volstrekt onuitstaanbaar. Ook dan is de utopie (vanuit ons oogpunt) een dystopie geworden. Dat is dan ook een reden dat de utopie tegenwoordig niet meer populair is. Utopisch denken is bovendien sinds WOII min of meer besmet. Dat is hoe de anti-utopie vormt krijgt en verschilt van de dystopie: de anti-utopie verzet zich tegen utopisch denken.

De denkbeeldige realiteit in vroege sciencefiction is vaak geografisch gelokaliseerd. Dit soort verhalen kwamen voort uit een fascinatie voor nog niet ontdekte landen en beschavingen op verre uithoeken van onze planeet. Het imaginaire reisverhaal is daarom ook verwant met sciencefiction. Wanneer in de achttiende eeuw het grootste deel van de aarde in kaart is gebracht, verschuift de focus naar nieuwe werelden in de dieptes van de holle aarde. Verhalen over inwendige zonnestelsels zijn daar voorbeelden van. Met de ontwikkeling van technologie ontwikkelt de reikwijdte van sciencefiction zich ook. Tegen het einde van de negentiende eeuw richten steeds meer verhalen hun blik naar boven: de lucht en de ruimte in. Talloze verhalen over expedities met ballonnen en vliegmachines doen daar verslag van. In dezelfde periode verschijnen ook steeds meer romans waarin de alternatieve realiteit in de toekomst wordt geplaatst.

De focus op de toekomst lijkt een logisch gevolg van het feit dat er steeds minder onontdekte gebieden bestonden, maar die verklaring is niet afdoende. In de negentiende eeuw was er nog genoeg onbekend terrein. Literatuurwetenschapper en sciencefictionexpert Darko Suvin zoekt de verklaring daarom in de opkomst van het kapitalisme, dat het anticiperen op de toekomst een essentieel onderdeel van de Westerse maatschappij heeft gemaakt: ‘the strong tendency toward temporal extrapolation inherent in life based on a capitalist economy, with its salaries, profits, and progressive ideals always expected in a future clock-time’ (Darko Suvin, Metamorphoses of Science Fiction. On the poetics and history of a literary genre, 1979). Het gevolg daarvan is volgens Suvin dat sciencefiction een meer activistisch karakter heeft gekregen: meer dan de geografische variant, is de temporele extrapolatie voor de contemporaine lezer een werkelijkheid die waarheid kan worden.

Het feit dat veel sciencefiction zich richt op de toekomst, maakt dat het genre nauw verbonden is met het genre van de toekomstroman. Het verschil tussen beide is dat in sciencefiction de toekomst vaak enkel decor is, terwijl toekomstfictie gaat over het belang dat aan de geschetste toekomst wordt gehecht. Opvallend is dat toekomstromans uit bijvoorbeeld de achttiende en negentiende eeuw zich vaak afspelen in een zeer verre toekomst (denk aan Het toekomend jaar 3000 uit 1792 van Arend Fokke Simonszoon of De Bataafsche Republiek uit 1798 van Gerrit Paape, dat zich in 1998 afspeelt). Tegenwoordig is het tijdframe dat gekozen wat minder groot: veel toekomstromans spelen zich af in de nabije toekomst. Dat kan te maken hebben met het feit dat de snelheid waarmee de technologische ontwikkelingen elkaar opvolgen, het denkbare op zo’n korte termijn ook mogelijk maken.

Tot slot is het nog van belang om sciencefiction te onderscheiden van fantasy. Sciencefiction en fantasy worden vaak als één genre weggezet (bijvoorbeeld in de boekenwinkel, maar ook in de literaire kritiek). Er is echter een wezenlijk verschil. Sciencefiction draagt, in tegenstelling tot fantasy, een zeker realisme in zich, hoe paradoxaal dat ook lijkt. Het genre schetst een niet bestaande, maar volgens de regels van wetenschap en technologie mogelijke wereld. De geschetste werkelijkheid moet plausibel zijn.

Kunnen we op basis van bovenstaande wat zinnigs zeggen over de kenmerken van sciencefictionliteratuur? Wellicht is pluriformiteit of hybriditeit het meest kenmerkende aspect, maar dat levert geen werkbare definitie op. Een pragmatischer aanpak is nodig. Darko Suvin noemde sciencefiction een ‘genre of cognitive estrangement’. Het is literatuur die vervreemdt door extrapolatie of speculatie. Het lijkt wezenlijk dat die extrapolatie of speculatie is gestoeld op technologische en/of wetenschappelijke ontwikkelingen. In sciencefiction worden effecten en gevolgen daarvan in een denkbeeldige realiteit onderzocht.

Sciencefiction kan ook toekomstliteratuur zijn, of een utopie of dystopie, maar dat hoeft niet per se zo te zijn. Tegelijkertijd is bijvoorbeeld niet alle toekomstliteratuur ook sciencefiction. Pierrart geeft in zijn stuk een aantal heldere voorbeelden die dit demonstreren. Hugo Raes’ De verwoesting van Hyperion (1978) is een voorbeeld van literatuur die zowel toekomstliteratuur als sciencefiction als dystopie is. De roman verhaalt over de overlevenden van de grote verwoesting der Aarde, die zich in de loop der tijd heeft ontwikkeld tot een technisch-wetenschappelijke hyperbeschaving. Onder deze overlevenden bevinden zich sterk geëvolueerde ratachtigen, die om de beschaving te redden, een vergeefse strijd voeren tegen hun primitievere soortgenoten. Kort verhael van eene aanmerkelyke luchtreis en nieuwe planeetontdekking (1813) van Willem Bilderdijk is daarentegen een voorbeeld van literatuur die zowel sciencefiction als dystopie is, maar niet tot de toekomstliteratuur behoort. In dit verhaal ontdekt de hoofdpersoon met zijn luchtballon per ongeluk een nieuwe planeet.

Laten we nu nogmaals kijken naar de recent verschenen Nederlandse romans die ik aan het begin van dit stuk noemde, die alle het predicaat sciencefiction ontvingen. Niet al deze romans behoren strikt genomen in dezelfde mate tot het genre. In alle steden van Weverlingh bijvoorbeeld is meer dystopie en minder (of zelfs geen) sciencefiction: de roman heeft geen (effecten of gevolgen van) technologische of wetenschappelijke ontwikkelingen als thema. Ook De goede zoon van Van Essen is meer toekomstfictie dan sciencefiction. De roman snijdt veel thema’s aan, zoals het gebrek aan houvast, het verleden, de constructie van verhalen. Maar het verhaal gaat slechts zijdelings over technologische ontwikkelingen of over de toekomst waarin het zich afspeelt.

We kunnen dus vaststellen dat literaire sciencefiction verschillende problemen kent. Er wordt in Nederland relatief weinig literaire sciencefiction geschreven, maar het bestaat wel. Het wordt niet altijd als zodanig (h)erkend. De wortels van het genre hebben bijgedragen aan een stigma dat nog altijd bestaat, ondanks de voortdurende evolutie van het genre. De waardering en bestudering van sciencefiction als opzichzelfstaand, volwaardig genre worden belemmerd door de pluriformiteit en de nauwe verwantschap met andere genres zoals toekomstromans en utopieën. Meer wetenschappelijke aandacht kan helpen om het imago van sciencefiction te verbeteren. Aandacht voor de evolutie van sciencefiction kan de waardering en erkenning ervan ten goede komen. Hopelijk zijn kwalificaties als ‘bijna-sciencefiction’ dan verleden tijd en zullen meer literaire schrijvers het voorbeeld van Aafke Romeijn volgen.

 


Dit artikel is geschreven naar aanleiding van een college over Concept M van Aafke Romeijn, gegeven door Aukje van Hout op 27 maart 2019, in het kader van de postacademische cursus ‘Recente Nederlande en Vlaamse letterkunde’ van de Radboud Universiteit.


Verder lezen – enkele suggesties
  • John Clute – Science Fiction: The Illustrated Encyclopedia. London: 1995.
  • M. Keith Booker & Anne-Marie Thomas (eds.) – The Science Fiction Handbook (Malden, MA, and Oxford: 2009.
  • Fred Keijzer – Filosofie van de toekomst. Over nut en noodzaak van sciencefiction. Amersfoort: 2010.
  • David Seed – Science Fiction: a very short introduction. Oxford: 2011.
  • Brian Stableford – The Sociology of Science Fiction. San Bernardino: 2007.
  • Darko Suvin – Metamorphoses of Science Fiction. On the poetics and history of a literary genre. New Haven: 1979.

 

Afbeelding:
Detail tijdschriftcovers Amazing Stories ed. Hugo Gernsback, vol. ‘April 1926’ en ‘August 1927’, via Wikimedia

 

Aukje van Hout is promovenda aan de Radboud Universiteit en docente Nederlands bij het Dominicus College in Nijmegen. Via een NWO lerarenpromotiebeurs werkt zij aan haar proefschrift over het realistische proza van rond 1900. Specifiek richt zij zich daarbij op het werk van Johan de Meester (1860-1931).