Der DDR-Bevölkerung ein Fenster zur Welt bieten – De DDR-bevolking een venster op de wereld bieden. Dat was het motto van de DDR-uitgeverij Volk und Welt. Vanaf 1961 tot nog na de val van de muur was Volk und Welt de belangrijkste uitgeverij voor internationale literatuur in Oost-Duitsland. In het fonds verschenen opvallend veel vertalingen uit het kapitalistische buitenland. Daaronder ook teksten uit Nederland en Vlaanderen. Wat gebeurt er met teksten als ze door culturen reizen en vooral ook: wat zien we als we door het Volk und Welt-venster naar de Nederlandstalige literatuur kijken?

Om te begrijpen hoe teksten tijdens de Koude Oorlog van west naar oost reisden, biedt de reeks bloemlezingen die uitgeverij Volk und Welt vanaf 1964 tot 1996 verzorgde interessante aanknopingspunten. De zogenaamde Erkundungen-Reihe (in het Nederlands: ‘Verkenningen’-reeks) wilde de DDR-lezer via een goed overwegen selectie kortverhalen een inkijkje in andere landen gunnen. In het eerste deel uit 1964 werden 19 teksten uit de BRD aan de lezer voorgesteld. Niet lang daarna verschenen een Frans deel (1966), een Zweeds (1967), een Spaans (1969), een Engels (1971) en nog vele andere. Toen de reeks in 1996 werd stopgezet, waren er maar liefst 59 taalgebieden door de bloemlezingen afgedekt.[1]

Dat de Erkundungen-reeks vooral bedoeld was als verkenning van de maatschappelijke realiteit in de behandelde taalgebieden, laat zich trouwens niet alleen uit haar naam afleiden. In het uitgeversblad der Bücherkarren verscheen in 1969 een eerste programmatische verantwoording van het project. In het artikel, dat de op zich al veelzeggende titel ‘Erkundungen der wirklichen Welt’ [verkenningen van de echte wereld] meekreeg, stelt de uitgeverij de bedoeling van de reeks op scherp:

De Erkundungen letten minder op de naam van de auteurs dan op de veelzijdigheid van de werkelijkheid die erin wordt vastgelegd. […] Literaire representativiteit is niet uitgesloten, maar is niet het belangrijkste doel. Een verhaal van een onbekende auteur waarin een nieuw, belangrijk aspect behandeld wordt, zal steeds de voorkeur hebben boven de nog zo meesterlijke herhaling’.[2]

Of die verkenningen ook écht zo veelzijdig waren als in het uitgeversblaadje wordt betoogd, is echter nog maar de vraag. De cultuurpolitiek in de DDR blonk immers niet bepaald uit in openheid. Aan elke publicatie in de DDR ging een lang en vermoeiend controleproces vooraf. Alle uitgeverijen in de DDR stonden onder controle van de Hauptverwaltung Verlage und Buchhandel (HV), die op zijn beurt onder controle stond van het ministerie van cultuur. Wanneer een uitgeverij een tekst wilde publiceren, moest ze eerst twee leesrapporten, één van de uitgeverij en één van een onafhankelijke lector, voorleggen aan de HV, waarin werd aangetoond dat de teksten pasten binnen het cultuurpolitieke programma.[3]

Hoewel uitgeverijen er natuurlijk alle baat bij hadden om álle voorgelegde teksten ook daadwerkelijk te kunnen publiceren en dus haast nooit teksten voorlegden waarover fundamentele twijfel te verwachten was, bevatten de leesrapporten wel een schat aan informatie over de gevoeligheden van het systeem. Zeker wanneer het vertalingen betrof, kwam het vaak voor dat de uitgeverijen in hun rapporten beargumenteerden waarom ogenschijnlijk gewaagde passages toch voor publicatie geschikt waren. En omgekeerd deden de onafhankelijke lezers regelmatig suggesties om teksten beter in overeenstemming te brengen met de literaire en ideologische maatstaven van de DDR.

Een vaak gebruikte strategie om teksten aan de DDR-maatstaven aan te passen, was het toevoegen van voor- of nawoorden waarin de publicaties marxistisch geduid werden. Alle Erkundungen-delen werden voorzien van een lang nawoord waarin de gebloemleesde teksten nog eens expliciet in een marxistisch schema werden geplaatst.[4] Gabriele Pisarz-Ramirez onderscheidt in haar artikel over internationale bloemlezingen in de DDR vijf vaak terugkerende thema’s in de Erkundungen-nawoorden: politieke repressie, desillusie, kritiek op de elite, de sociale ellende van de laagste klasse en kritiek op de kerk.[5] De antikapitalistische teneur mag duidelijk zijn.

Bestaan de vensters van Volk und Welt dan uit spiegelglas?

Op verkenning in Nederland en Vlaanderen

De Erkundungen-reeks was er, zoals gezegd, op gericht om de DDR-lezers op grote schaal met de buitenwereld kennis te doen maken. Dat verklaart ook waarom het maar zelden voorkwam dat een taalgebied twee keer werd behandeld. Van de 59 taalgebieden die in de reeks afgedekt werden, vielen er maar zes die eer te beurt. Met name de Chileense (1974; 1976), de Hongaarse (1973; 1983), de Deense (1970; 1985), de Roemeense (1969; 1985), de Cubaanse (1976; 1987) en de Vlaams-Nederlandse (1976; 1984) literatuur werden om uiteenlopende redenen twee keer gebloemleesd.

De Oost-Duitse belangstelling voor de Nederlandstalige literatuur heeft paradoxaal genoeg te maken met het feit dat ze er tot in de jaren zeventig amper een rol speelde. Bekeken vanuit het DDR-ideaal om het buitenland via de literatuur te ontsluiten, lag hier dus nog veel potentieel. Toen Alfred Antkowiak op 8 juni 1974 plannen voorlegde voor een Belgisch-Nederlands Erkundungen-deel, kon hij de bloemlezing dan ook prima voorstellen als dringende ‘Ortsbesichtigung’ van een ‘terra incognita’.

Dat de naoorlogse Nederlandse literatuur op dat moment nog vrij onbekend was, blijkt ook uit de signalementen in de Oost-Duitse pers. “Met deze anthologie wordt voor het eerst in de DDR een poging ondernomen, om het Nederlandstalige naoorlogse proza bij wijze van spreken in één oogopslag bekend te maken”, schrijft de Berlijnse krant Tribüne.[6] In de Schweriner Volkszeitung worden Nederland en Vlaanderen dan weer “een ons zo goed als onbekend literair terrein”[7] genoemd. En de Berlijnse Wochenpost meent in de Nederlandstalige literatuur zelfs een tot dusver onbekende zielsverwant te herkennen:

Onze eigen literatuur heeft zich vaak, zeker na het einde van de oorlog, maar ook al lang daarvoor met gelijkaardige problemen beziggehouden. Zolang er in de wereld oorlogsdreiging is, zal de literatuur zich daarmee moeten bezighouden. Hier komt dat grote thema nog een keer van een andere, ons tot dusver onbekende kant, indringend en nadrukkelijk tegemoet.[8]

Het is overigens zeker niet toevallig dat de plannen  voor een Nederlands-Vlaams Erkundungen-deel uitgerekend in 1974 op tafel kwamen. Twee jaar daarvoor had België als eerste NAVO-land de DDR officieel erkend. Nederland volgde één jaar later, in 1973. Gezien het pionierskarakter van die eerste Belgisch-Nederlandse Erkundungen, wil ik deze bundel in wat volgt mijn volle aandacht geven.

Van selectie tot presentatie

In de eerste selectie uit 1974 stelde Antkowiak 21 teksten voor, die – op één na – allemaal na 1960 verschenen waren en die volgens hem een representatief beeld schetsten van het Nederlandse en Vlaamse culturele klimaat. Bovenop deze 21 teksten, noemde Antkowiak nog vier andere auteurs van wie hij nog geen geschikte tekst had kunnen vinden, maar die wél een plek moesten krijgen in de bundel.

 

Vergelijking selectievoorstel door A. Antkowiak (1974) en uiteindelijke selectie in ‘Erkundungen’ (1976)

 

Als we Antkowiaks voorstel naast de uiteindelijke bundel leggen, dan merken we een paar betekenisvolle verschillen op.  Jeroen Brouwers, Joop Waasdorp, Guus Kuijer, Ivo Michiels en Willem Frederik Hermans werden wel voorgesteld, maar niet in de bundel opgenomen. Voor Clem Schouwenaars gold net het omgekeerde: die werd niet in het voorstel genoemd, maar is wel vertegenwoordigd in de uiteindelijke uitgave. In een intern document van de uitgeverij werden de aanpassingen als volgt verantwoord:

Ter gunste van de betekenisvollere auteurs Claus, Lampo en Ruyslinck moesten andere, interessante, maar minder belangrijke namen als J. Brouwers, J. Waasdorp en G. Kuijer uit de lijst geschrapt worden. Het is jammer dat afgezien moest worden van de teksten van Ivo Michiels en Willem Frederik Hermans, maar ondanks alle inspanningen kon van de eerstgenoemde auteur geen geschikte bijdrage gevonden worden en W.F. Hermans heeft de publicatie van een langere tekst zonder verantwoording afgewezen.[9]

Dat het toevoegen van de ene auteur automatisch het schrappen van de andere betekende, heeft  minder te maken met vormelijke overwegingen dan met de papierschaarste die gedurig in de DDR heerste. Uit het Gutachten blijkt dat een uitbreiding van het aantal auteurs erg wenselijk was geweest, maar dat de op 400 pagina’s vastgestelde limiet “aus druckereitechnischen Gründen” – lees: papierschaarste – niet overschreden mag worden. In het geval van Brouwers en co. betekende dat dus dat zij zonder veel omzien uit de anthologie geschrapt werden en vervangen door auteurs die op dat moment meer naamsbekendheid hadden. Dat hier dus wél sterk op de bekendheid van de auteurs werd gelet, is trouwens een opvallende inconsequentie met de programmaverklaring die eerder in Der Bücherkarren was verschenen. Ik kom er later nog uitgebreider op terug.

Een stuk gevoeliger lag de kwestie rond Ivo Michiels. Kennelijk verdiende Michiels gezien zijn centrale positie in de Nederlandse literatuur wel een plek in de bundel, maar zijn uitgesproken formalistische poëtica was maar moeilijk te rijmen met de poëticale eisen die in de DDR aan literatuur werden gesteld. Die spanning kwam al in 1974 bovendrijven. In de eerste plannen voor de anthologie noemde Antkowiak het werk van Michiels ‘ziemlicher Käse, Formspielerei’ [nogal onzinnig, vormspel], maar gaf toch aan het niet helemaal links te kunnen laten liggen. Dat in de uiteindelijke selectie alsnog van het werk van Michiels werd afgezien, toont aan dat de grip van het censuurapparaat ook anno 1976 nog duidelijk voelbaar was.

Het ontbreken van het werk van W.F. Hermans ten slotte heeft een heel andere verklaring. Zijn teksten werden door de censuurpolitiek wel geschikt bevonden, maar Hermans gaf geen toestemming voor publicatie. In de leesrapporten van Volk und Welt heet het dat Hermans voor die afwijzingen geen redenen heeft genoemd (“ohne Nennung von Gründen”), maar alles wijst erop dat Hermans, die zeer kritisch tegenover het communisme stond, zijn beslissing op ideologische gronden baseerde.[10]

Die Stagnation der Enttäuschung

‘Erkundungen I. 21 Erzähler aus Belgien und den Niederlanden’ (1976), A. Antkowiak (Hrsg.)

In 1976 was het dan zover. De eerste Belgisch-Nederlandse Erkundungen-Band rolde van de pers. Zoals dat in de reeks gebruikelijk was, werd de bundel afgesloten met een lang nawoord, waarin de teksten binnen de DDR-context werden gesitueerd en in veel gevallen ook aan die context werden aangepast. In tien dichtbedrukte pagina’s bespreekt Antkowiak de stand van zaken in de Nederlandse literatuur. Dat die Nederlandse literatuur volgens hem niet bepaald uitblinkt in optimisme, blijkt al uit de titel van zijn nawoord: ‘Moderne Prosa niederländischer Sprache, oder die Stagnation der Enttäuschung’ [Modern Nederlandstalig proza, of de stagnatie van de ontgoocheling].

Volgens Antkowiak grijpen Nederlandstalige auteurs uit de jaren zestig en zeventig de literatuur massaal aan als medium om uitdrukking te geven aan hun ontgoocheling. Ontgoocheling over de naoorlogse maatschappij, haar burgerlijke cultuur en vooral ook: ontgoocheling over het kapitalisme. Het gevolg van die ontgoocheling was een totaal terugtrekken in de eigen subjectieve ervaring. De Nederlandstalige literatuur maakt de corruptie van de kapitalistische maatschappij niet zichtbaar in realistische verhalen, maar in een terugplooien op het ‘gekwelde ik’:

Daarvoor [voor de Nederlandstalige literatuur] is het terugvallen op het eigen ik typisch: het overgrote deel van de schrijvers geeft de betrekkingen tot de werkelijkheid op en verlaat het objectiverende vertelniveau. […] Zij hebben het gehad met de burgerlijk kapitalistische wereld, zonder er – ook wanneer ze in een droom vluchten – los van te kunnen komen.[11]

Die visie verklaart (of vergoelijkt?) ook waarom Antkowiak in zijn selectie afweek van het programma voor de Erkundungen-reeks dat in 1969 in Der Bücherkarren was vastgelegd. Gelet op het subjectief-ontgoochelde karakter van de Nederlandstalige literatuur, was een veelzijdige blik op de maatschappelijke werkelijkheid nu eenmaal minder vanzelfsprekend. Althans, zo luidt de argumentatie in het Verlagsgutachten van Joachim Schreck:

De huidige maatschappelijke situatie, de politieke conflicten, de klassenstrijd wordt in de Zuid- en Noord-Nederlandse literatuur momenteel niet zichtbaar gemaakt. Alfred Antkowiak heeft in het nawoord overtuigende redenen genoemd waarom dat zo is. Tegelijk heeft hij in de nieuwste ontwikkelingen, in de nieuwste generatie  aan schrijvers die minder door ontgoocheling en desillusie belast zijn, mogelijkheden aangewezen voor een literatuur die op een andere manier kritisch is en die onze tegenwoordige en toekomstige belangstelling verdient.[12]

Barsten in het glas

Wie door het venster van Volk und Welt naar de Nederlandstalige literatuur kijkt, ziet dus ook de werkelijkheid van de DDR in het raam gereflecteerd. De Erkundungen-reeks liet het leespubliek in de DDR kennismaken met de kapitalistische buitenwereld, maar deed dat wel duidelijk vanuit een communistisch perspectief. Met betrekking tot de Nederlandstalige literatuur werkte dat perspectief door in de selectie van geschikte auteurs en de manier waarop die auteurs vervolgens werden voorgesteld. De Nederlandstalige literatuur gold in de DDR als het product van een artistieke onderstroom die intern oppositie voerde tegen de kapitalistische samenleving en de burgerlijke cultuur.

Toch lijken er ook barsten in het glas te zitten. Wat de selectie van geschikte auteurs betreft, boden bloemlezingen immers een mate van speelruimte, die voor romans haast ondenkbaar was. Bloemlezingen met internationale literatuur waren niet alleen bijzonder populair bij het leespubliek, dat naar een venster op de wereld snakte, ook voor de uitgeverijen en de censuurdienst boden ze een aantal praktische voordelen, die op hun beurt weer zorgden voor een welwillende en flexibele omgang met het genre. Een levendige vertaaltraditie droeg immers bij aan de zelf-gecultiveerde reputatie van de DDR als ‘Leseland’ en wekte ook naar binnen toe een welgekomen schijn van culturele openheid. Vanaf de jaren zestig spoorde de censuurdienst Volk und Welt zelfs officieel aan om bij de samenstelling van nieuwe bloemlezingen niet te “eng und ängstlich”[13] te werk te gaan.

Die ogenschijnlijke flexibiliteit kan evenwel niet los gezien worden van het gemak waarmee in de samenstelling van de bloemlezing kon worden ingegrepen. De kosten om een kortverhaal te laten vertalen, lagen uiteraard een stuk lager dan voor een integrale roman. Als tijdens het publicatieproces werd geoordeeld dat één van de voorgestelde teksten toch te sterk afweek, kon die dan ook vrij eenvoudig worden weggelaten en / of ingewisseld voor een andere.[14] De hierboven al behandelde kwestie rond Ivo Michiels is illustratief voor dit mechanisme van gecontroleerde openheid, dat zeker vanaf de jaren zeventig typerend was voor de DDR-anthologieën.

Hoewel de ideologische openheid in de bloemlezingen dus steeds met een korrel zout genomen moet worden, waren ze wel opgeladen met subversief potentieel als wegbereiders voor ander, omvangrijker, werk. Werk van een auteur die al eens was opgenomen in de Erkundungen-reeks werd in de regel veel makkelijker vertaald dan wanneer dat niet het geval was. Dat die functie van de reeks als literaire doorgangen, bovendien door de cultuurpolitiek werd aangemoedigd, blijkt ook uit het Verlagsgutachten van Joachim Schreck:

De verzameling Nederlandstalige literatuur van hoofdzakelijk de voorbije tien jaar – overigens de eerste poging tot een dergelijk overzicht voor de lezers in de DDR – is een echte Erkundungen-band geworden. Hij is niet alleen geschikt om onze lezers vakkundig en veilig door onbekend literair terrein te voeren, hij kan ze ook op komende, grotere ontdekkingen uit deze literatuur voorbereiden. Daarom kan hij alleen maar tot publicatie aanbevolen worden.[15]

Waar de censuurpolitiek evenwel minder rekening mee hield, is dat op die manier ook meer omstreden werk de DDR ‘binnengesmokkeld’ kon worden. Dat geldt bijvoorbeeld zeker voor Hugo Claus, die eerst met een kortverhaal in het Erkundungen-deel werd opgenomen, amper een jaar later een prominente plek kreeg in een poëzie-bloemlezing en nog eens twee jaar daarna zijn modernistische – en dus bepaald niet aan de DDR aangepaste – meesterwerk De Verwondering in de DDR zag verschijnen. De geleidelijke intrede van Claus in de DDR biedt een mooie illustratie van het subversieve potentieel van de Erkundungen-reeks en zal in de volgende aflevering dan ook nog veel uitgebreider belicht worden.

 


Literatuur
  • Antkowiak, Alfred. Niederländische Erkundungen; Exposé und Auswahlvorschlag, Juni 1974.
  • Antkowiak, Alfred. (Hrsg.) Erkundungen I. 21 Erzähler aus Belgien und den Niederlanden. Hrsg. und mit einem Nachwort versehen von Alfred Antkowiak. Berlin: Volk und Welt, 1976, 296-306.
  • Antkowiak Alfred. ‘Moderne Prosa niederländischer Sprache oder Die Stagnation der Enttäuschung’ In: Antkowiak, A. (Hrsg.) Erkundungen I. 21 Erzähler aus Belgien und den Niederlanden. Hrsg. und mit einem Nachwort versehen von Alfred Antkowiak. Berlin: Volk und Welt, 1976, 296-306.
  • Barck, Simone. & Lokatis, Siegfried. (Hrsg.) Fenster zur Welt. Eine Geschichte des DDR-Verlages Volk & Welt. Berlin: C.H. Links Verlag, 2004.
  • Lokatis, Siegfried. ‘Die zensurpolitische Funktion von Anthologien im Verlag Volk und Welt’ In: Häntzschel, Günter (Hrsg.) Literatur in der DDR im Spiegel ihrer Anthologien. Ein Symposion, Wiesbaden: Harrasowitz Verlag, 2005, 47-58.
  • Grave, Jaap. ‘The GDR and Dutch Literature’ In: (Jaap Grave & Irine Michajlova red.) Transfer of Dutch, Flemisch and Scandinavian Literatures to Eastern Europe (1945-1990), 2018, 7-18.
  • Gregor, Günter. ‘Erkundungen oder Erkenntnisse?‘ In: Wochenpost Berlin, nr.36, 1977.
  • Eickmans, Heinz. ‘Tussen informatie en ideologie. Parateksten bij DDR-anthologieën van Nederlandstalige literatuur.’ In: Internationale Neerlandistiek, jrg. 57, nr.1, 2019, 35-60.
  • Pisarz-Ramirez, Gabriele. ‘Internationale Kurzprosa in Anthologien der Deutschen Demokratischen Republik: Die Reihe “Erkundungen”’ In: Kittel, Harald (Hrsg.) International Anthologies of Literature in Translation, Wiesbaden: Erich Schmidt Verlag, 1995, 200-238.
  • Pisarz-Ramirez, Gabriele. ‘Übersetzungskultur in der DDR – eine Fallstudie’ In: Harald Kittel u.A. (Hrsg.) Übersetzung, Translation, Traduction. Ein internationales Handbuch zur Übersetzungsforschung. Berlin/New York: Walter de Gruyter, 2007, 1779-1799.
  • Singer, Kurt. ‘Erkundungen der wirklichen Welt.’ In: Der bücherkarren. nr.VI, 1970, 1.
  • Das Bundesarchiv, Berlin, DR 1/2360a / Schreck, Joachim. Verlagsgutachten. Oktober 1975.
  • Das Bundesarchiv, Berlin, DR 1/2360a / Kähler, Rudolf. Ergänzung zum Verlagsgutachten, Oktober 1975.

Noten
De auteur dankt Geert Buelens voor zijn opmerkingen en suggesties bij de tekst.
[1] Een overzicht van alle Erkundungen die tussen 1964 en 1996 bij Volk und Welt verschenen, biedt Pisarz-Ramirez (2007), 1780-1781.
[2] Origineel: “‘Erkundungen’ sehen weniger auf den Namen des Autors als auf die Vielgestaltigkeit der eingefangenen gesellschaftlichen Wirklichkeit. […] Dabei ist literarische Repräsentanz nicht ausgeschlossen, jedoch nicht das wichtigste Ziel. So wird die Erzählung eines unbekannten Autors, die einen neuen wichtigen Aspekt gestaltet, stets der auch noch so meisterhaften Wiederholung vorgezogen werden.” (Singer 1970: 1).
[3] Een aanzienlijk deel van die leesrapporten is bewaard gebleven en kan in digitale vorm geraadpleegd worden via de catalogus van het Berlijnse Bundesarchiv.
[4] Zie hierover: Eickmans 2019.
[5] Pisarz Ramirez 1995: 220.
[6] Tribüne, 07/12/1976.
[7] Schweriner Volkszeitung, 27/10/1978.
[8] Origineel: “Unsere eigen Literatur hat sich oft, besonders seit Kriegsende, aber auch schon lange davor mit gleichen Problemen befaßt. Solange es in der Welt Kriegsgefahren gibt, wird sich Literatur damit zu beschäftigen haben. Hier kommt das große Thema einmal von einer anderen, und bisher fast unbekannten Seite, eindringlich und nachdrücklich auf uns zu.” (Wochenpost 1977).
[9] Origineel: “Zugunsten der bedeutenderen Autoren Claus, Lampo und Ruyslinck mußten vielmehr ebenfalls interessante, aber nicht so gewichtige Namen wie J. Brouwers, J. Waasdorp und G. Kuijer aus der Liste gestrichen werden. Als bedauerlich ist der Verzicht auf Erzählungen von Ivo Michiels und Willem Frederik Hermans zu vermerken, doch ließ sich trotz aller Bemühungen vom erstgenannten Autor kein geeigneter Beitrag beschaffen, und W.F. Hermands hat die Veröffentlichung einer längeren Erzählung ohne Nennung von Gründen abgelehnt.” (Kähler 1975: 5).
[10] Vgl: Grave 2018: 10.
[11] Origineel: “Dafür ist typisch der Rückzug auf das eigene Ich: Das Gros der Schriftsteller gibt die Distanz zur Wirklichkeit auf und verläßt die objektivierende Erzählebene. […] Sie sind mit der bürgerlich-kapitalistischen Welt fertig ohne mit ihr – auch wenn sie in den Traum flüchten – fertig werden zu können.” (Antkowiak 1976:301).
[12] Origineel: “Die heutige gesellschaftliche Situation, die politischen Auseinandersetzungen, der Klassenkampf wird durch die süd- und nordniederländische Literatur zur Zeit nicht sichtbar gemacht. Alfred Antkowiak hat im Nachwort überzeugende Gründe genannt, warum das so ist. Zugleich hat er in neuesten Entwicklungen, in einer neuen Generation weniger von Enttäuschung und Desillusionierung belasteter Schriftsteller Möglichkeiten einer auf andere Weise kritischeren Literatur angedeutet, die unser gegenwärtiges und unser zukünftiges Interesse herausfordern sollten.” (Schreck 1975: 3-4).
[13] Lokatis 2005: 53.
[14] Lokatis 2005: 52.
[15] Origineel: “Die Sammlung niederländischsprachiger Literatur vornehmlich der letzten zehn Jahre – übrigens der erste Versuch eines Überblicks dieser Art für die Leser in der DDR – ist ein ‘echter’ Band der ‘Erkundungen’ geworden. Er vermag unsere Leser nicht nur kenntnisreich und sicher durch unbekanntes literarisches Terrain zu führen, er vermag sie auch auf kommende größere Entdeckungen aus dieser Literatur vorzubereiten. Deshalb kann er zur Drucklegung nur empfohlen werden.” Schreck 1976).

 


 

Ulrike Burki (1998) behaalde in 2020 haar master Nederlandse en Duitse taal- en letterkunde aan de Universiteit Antwerpen. Momenteel volgt ze de onderzoeksmaster Nederlandse literatuur en cultuur aan de Universiteit Utrecht, waar ze onderzoek doet naar de status van de Nederlandstalige literatuur in de DDR.