Kunst en literatuur waren in de DDR allerminst vrij; experimentele vormen werden er veelal afgedaan als uitingen van decadentie. Hoe valt dan te verklaren dat de eerste roman van Hugo Claus die in Oost-Duitsland werd vertaald en gelanceerd, uitgerekend De verwondering was? 


In september 1962 publiceerde Hugo Claus De verwondering. Het was na De Metsiers (1951), De hondsdagen (1952) en De koele minnaar (1956) Claus’ vierde roman. Zelf liet Claus er alvast geen twijfel over bestaan dat de lezer geen gemakkelijke leeservaring te wachten stond. In een interview dat zes maanden eerder in De Post was verschenen gaf Claus aan dat hij van zijn lezers een ‘grote inspanning’ verwachtte:

Ik heb mijn nieuwe roman Verwondering, die in september gaat verschijnen, geschreven in drie jaar tijds – alles bijeen 280 bladzijden. Iemand die het manuscript kreeg, belde mij na 4 of 5 uur op om te zeggen, dat hij het prachtig vond. Dat vind ik eenvoudig beledigend. Zo gemakkelijk is die roman niet en zo gemakkelijk mag geen kunstwerk zijn.[1]

De roman leest inderdaad niet bepaald makkelijk weg. Dat ligt niet alleen aan de vorm – de fragmentarische verteltrant, afbrokkelende zinsbouw en verwarrende verhaalstructuur – maar ook aan de inhoud.[2] In De verwondering verwerkt Claus wat hij zelf als ‘de psychologische na-invloeden van de oorlog in West-Vlaanderen’ beschreef.[3] We maken kennis met de ietwat naïeve leraar Victor-Denijs De Rijckel, die op een gemaskerd bal in de ban raakt van een mysterieuze vrouw. Hij volgt haar naar Kasteel Almout in het Oost-Vlaamse dorpje Hekegem en komt daar terecht in een vreemde cultus rond de verdwenen ‘Oostfrontheld’ Jan Willem Crabbe. Hoe meer de leraar in dit milieu infiltreert, hoe meer hij in de netten van het nationaalsocialisme verstrikt raakt.

Vormde De verwondering al een uitdaging voor Vlaamse lezers, dan gold dat zeker voor het buitenlandse leespubliek, dat veel minder vertrouwd was met de politieke inbedding van de roman. De eerste vertaling van De verwondering verscheen pas in 1976 in Frankrijk en bevatte heel wat handvaten voor de Franstalige lezer.[4] Zo was L’étonnement voorzien van een voor- en nawoord dat de lezer hielp om zich te oriënteren in de historische en politieke achtergronden. En wat wellicht ook hielp was dat de roman voor Franse lezers allesbehalve een eerste kennismaking met Claus was. Vóór 1976 waren al vertalingen gepubliceerde van De Metsiers (1953), De hondsdagen (1954), De koele minnaar (1957) en Omtrent Deedee (1969). Daarnaast waren er ook al vijf toneelstukken en een poëziebloemlezing verschenen.

Dat laatste was niet het geval voor de DDR, waar de tweede vertaling van de roman verscheen. In 1979 bracht uitgeverij Volk und Welt Die Verwunderung[5] op de markt en bezorgde daarmee meteen ook de allereerste solo-publicatie van Claus in Oost-Duitsland. Dat Claus’ doorbraak in de DDR uitgerekend met De verwondering op gang kwam is des te opmerkelijker, gezien de moeilijke verhouding die in de DDR ten opzichte van het literaire modernisme heerste. Hoewel de grenzen van wat gepubliceerd en gelezen kon worden in de loop van de jaren zeventig steeds verder werden opgerekt[6], bleef leesbaar en toegankelijk proza er wel de norm. Formeel experiment werd in de DDR typisch gelezen als een van de uitwassen van het decadente kapitalisme en viel dus in de regel te vermijden.[7]

Waarom Claus er dan toch uitgerekend met het zo veeleisende De verwondering werd gelanceerd – en niet, zoals in Frankrijk, met de toegankelijke De Metsiers of De hondsdagen – is de vraag die ik in deze en de volgende bijdrage tracht te beantwoorden. In het volgende essay zal ik onderzoeken hoe de tekst precies werd vertaald, gepresenteerd en gelezen. Maar om de introductie van Claus in de DDR echt goed in beeld te krijgen, moeten we volgens mij een stuk vroeger beginnen dan bij het uiteindelijke vertaalproduct. In deze bijdrage richt ik de aandacht op twee kleinere publicaties die al voor 1979 in DDR-anthologieën verschenen waren.


Hugo Claus, de ‘Vlaamse rebel’ 

‘Bewust en agressief […] richt Hugo Claus, de “Vlaamse rebel”, de aandacht op de onmogelijkheid van de liefde in een maatschappij, gedomineerd door een valse, verkrampte, onmenselijke moraal.’[8] Zo typeert Alfred Antkowiak Hugo Claus in zijn nawoord bij de Belgisch-Nederlandse band (1976) van de door uitgeverij Volk und Welt verzorgde Erkundungen-reeks. Antkowiak had zich blijkbaar goed in het werk van de Vlaamse rebel ingelezen. In het nawoord geeft hij een situering van Claus’ oeuvre en besteedt daarbij vooral aandacht aan zijn vroegere – en op dat moment nog niet naar het Duits vertaalde – romans:

In de romans De Metsiers (1951), De hondsdagen (1952) en Een bruid in de morgen (1953) gaat de schoonheid van de liefde zonder uitzondering aan een bodemloos lelijke werkelijkheid ten gronde. Zij wordt, volgens de moraal van de burgerlijke wereld, verboden, meedogenloos verwoest, platgewalst, vernietigd. En in de romans De verwondering (1962) en Omtrent Deedee (1963) noemt hij de vernietigers van het menselijke geluk bij naam: Het is de ene keer het, in zekere bourgeois kringen ook na de oorlogstijd nog ‘chique’, fascisme en de andere keer het dogmatische katholicisme.[9]

Antkowiaks positie bij uitgeverij Volk und Welt is interessant en verdient nog wat meer aandacht. In 1958 was hij wegens kritiek op het regime gearresteerd en tot twee en een half jaar cel veroordeeld. Na zijn vrijlating trad hij als lector in dienst bij Volk und Welt, waar hij als ‘Geheiminformant’ spioneerde voor de Staatssicherheit. Dat Antkowiak na zijn vrijlating aan de slag mocht bij Volk und Welt, had hij grotendeels zelf bewerkstelligd. In een lang voorstel tot socialistische re-integratie verdedigde hij waarom uitgerekend hij een interessante pion kon zijn binnen het uitgeverijwezen. Juist omwille van zijn eigen subversieve verleden, zou hij erg geschikte zijn om ontluikende tegenstand in de kiem te smoren.[10] En die tegenstand, zo luidde de redenering, was vooral van de literatuur te verwachten:

Ik ben tot de overtuiging gekomen dat de revisionistische gloed ook vandaag nog het sterkst in de literatuur oplicht. […] Daarom stel ik een indienststelling in een literaire uitgeverij voor, waar mij de ideologische en politieke verdediging nog steeds dringend lijkt.[11]

Die re-integratieve achtergrond verklaart ook mee waarom Antkowiak zo sterk inzette op een presentatie van Claus als een ‘antiburgerlijke rebel’ die zich in zijn werk te weer stelt tegen de kapitalistische samenleving. Antkowiaks karakterisering van Claus kadert in zijn opdracht om via de literatuur een bijdrage aan de socialistische samenleving te leveren.

Hoewel Antkowiak met die antiburgerlijke karakterisering van Claus meteen ook de toon zette voor zijn imago in de DDR, verdient dat beeld toch enige nuancering. Claus’ positie als maatschappelijk geëngageerde auteur was in wezen immers rijkelijk ambivalent. Nu eens verklaarde hij in een interview dat het ‘de plicht van de dichter’ was om ‘tegen zijn staat te zijn’, dan weer keerde hij zich hartstochtelijk af van de idee dat een kunstenaar zich ten dienste zou moeten stellen van eender welk politiek of maatschappelijk programma.[12] Dat Claus’ poëtica zich maar moeilijk laat herleiden tot ‘eenduidige standpunten’ en ‘partijpolitieke boodschappen’, blijkt ook duidelijk uit De plicht van de dichter dat in 2013 onder redactie van Kevin Absillis, Sarah Beeks, Kris Lembrechts en Georges Wildemeersch verscheen en waarin poëticale uitspraken van Claus worden verzameld. Met name in de bijdragen van Georges Wildemeersch en Sarah Beeks over Claus’ engagement in de jaren zestig doemt een beeld op van een zoekende kunstenaar die zichzelf voortdurend bevraagt over de moeilijke verhouding tussen kunst en politiek en in wiens teksten maar zeer zelden idealen voor de eeuwigheid besloten lagen.

Zo liet Claus in 1966 weten dat hij ‘best eens een keer een fascistisch stuk [zou] willen schrijven en, wel, eens kijken wat er van komt’. En hij vervolgde: ‘Als ik dan drie dagen later een gedicht schrijf dat kommunistisch is, dan … ik verander van pak, ik verander van das; ik zou mijn haar ook kunnen verven…. ideeën zijn geen constanten.’[13] En amper een jaar later vertelde hij aan Fernand Auwera, die hem interviewde voor zijn bundel Schrijven of schieten? dat ‘een groot deel van [z]ijn engagement […] negatief [was]’. ‘Ik schrijf vanuit dezelfde radeloosheid waarmee ik het politieke leven beschouw.’[14]

Antkowiaks karakterisering van Claus als rebel, die zich in zijn teksten te weer stelt tegen de ‘valse, verkrampte moraal’ van zijn omgeving blijkt dus wat te star, maar helemaal ongerijmd is ze ook weer niet. Welbeschouwd rakelt Antkowiak in het nawoord Claus’ zelf aangekaarte radeloosheid op en stelt die behendig in dienst van het cultuurpolitieke programma van de DDR. Antkowiak stelt de Nederlandstalige literatuur voor als het product van een ontgoochelde generatie auteurs die in hun teksten op zoek gingen naar een zinvol bestaan in een kapitalistische samenleving. In dat opzicht kostte het hem dus niet eens zoveel moeite om de ‘radeloze’ Claus voor dat programma te recupereren. Of zoals hij het zelf formuleerde:

Dit proza reproduceert als in een notendop de laat-kapitalistische maatschappij met de hem kenmerkende en formeel tot het uiterste uitgeputte middelen. Wat in ieder geval mankeert, is de zekerheid van een menselijke toekomst, die soms uitgroeit tot twijfel aan de mens zelf. Vooral daarin toont het zijn burgerlijke begrenzing.[15]

Toch zijn er ook punten waarop Antkowiak Claus’ engagement wel erg ver moet plooien. Interessant is bijvoorbeeld dat Antkowiak hier strategisch onder de mat veegde, dat Claus de door hem gehekelde ‘onmenselijke moraal’ niet alleen in de westerse wereld, maar net zo goed in het oosten van Europa aan het werk zag. Zo verklaarde hij in 1959 in een interview met Johan Anthierens dat hij de internationale politiek beschouwde ‘als een voorwerp van de hoogste burleske’. Over de ontwikkelingen in Oost-Europa voegde hij daar nog aan toe: ‘Het kommunisme: doorworstelt een stadium dat mensen als ik erg onsympathiek voorkomt en ons in een staat van uiterste ergernis brengt.’[16] En bijna een decennium later vertelde Claus – die inmiddels wel helemaal in de ban was geraakt van het ‘tropisch-communistische’ bewind in Cuba – aan de Volkskrant dat ‘de Oosteuropese landen [hem] minder goed l[a]gen’. ‘Ik houd niet van wijde-broeks-pijpen-communisme’, aldus Claus.[17]

Voor de introductie van Claus in de DDR blijkt dus bij uitstek te gelden wat ik in mijn vorige bijdrage over de Vlaams-Nederlandse Erkundungen-band ook al aanhaalde. Antkowiaks nawoord is erop gericht om de gebloemleesde auteurs binnen de ideologische kaders van de DDR te situeren. In het geval van Claus betekende dat dat de anti-burgerlijke tendensen in zijn poëtica werden uitvergroot en in dienst gesteld van het eigen cultuurpolitieke programma. Willen we het imago van Claus in de DDR helemaal reconstrueren, dan moeten we evenwel niet alleen kijken naar de manier waarop hij in het nawoord werd voorgesteld. Minstens even betekenisvol zijn de selectie en presentatie van de specifieke tekst die in de bundel werd opgenomen.

Een cupido waarrond bijen zwermden. Erkundungen (1976)

Toen Antkowiak in 1974 zijn oorspronkelijke auteursselectie voor het Vlaams-Nederlandse Erkundungen-deel voorlegde, ontbrak Hugo Claus merkwaardig genoeg in de lijst. Dat had echter uitsluitend met praktische overwegingen te maken. Antkowiak had zich voorgenomen om in de bundel enkel teksten op te nemen die niet ouder waren dan 15 jaar; een voorwaarde waaraan het werk dat hij op dat moment ter beschikking had niet voldeed. In een toelichting bij het voorstel schrijft Antkowiak dat Claus hoe dan ook nog in de bloemlezing opgenomen moest worden, zelfs als dat zou betekenen dat hij dat zelfopgelegde tijdsprincipe moest doorbreken:

Van Hugo Claus ligt mij de verhalenbundel De zwarte keizer voor, die enkele voortreffelijke verhalen bevat. Ze zijn echter allemaal ontstaan tussen 1948 en 1957. Omwille van het hiervoor al vermelde tijdsprincipe, kon ik nog niet beslissen om iets uit deze verzameling op te nemen. Temeer, omdat er van Claus nog twee recentere verhalenbundels bestaan. Dat zijn Natuurgetrouwer en Gebet (sic.) om geweld. Deze beide banden wil ik nog inzien om een definitieve beslissing te maken. Moest hier niets bruikbaars te vinden zijn (wat ik me eigenlijk niet kan voorstellen), dan moeten we willens nillens een verhaal uit ‘De zwarte keizer’ kiezen, dus nog een keer het tijdsprincipe doorbreken, wat ik, zoals gezegd, verdraaid lastig zou vinden.[18]

Gelukkig voor Antkowiak bleken de recentere verhalenbundels wel degelijk een geschikt kort verhaal te bevatten. Zijn uiteindelijke keuze viel op het verhaal ‘Liefde in de nightclub Jiky’s’ uit de in 1969 verschenen verhalenbundel Natuurgetrouwer. In het verhaal schetst Claus een bevreemdende scène uit het naoorlogse nachtleven. Een bont gezelschap, bestaande uit een prinses, een professor, een luitenant-generaal en een meisje genaamd Delia, wordt in een nachtclub vergezeld door een zekere ‘fameux-Bertrand’. Die laatste vertoont op zijn lichaam ‘magische en onuitwisbare tekenen, alsook bewegende taferelen uit de Oudheid’.[19] Hoewel het mysterie rond de tekenen op het lichaam van Bertrand hoog gehouden wordt, doet het vervolg van de tekst vermoeden dat het om tatoeages gaat die Bertrand, door zijn spieren aan te spannen, kan doen bewegen. Dat maakt de nieuwsgierigheid van het gezelschap er niet minder op. Delia spoort hem aan om de ‘magische tekens’ aan het gezelschap te laten zien. Naast afbeeldingen van sensuele vrouwen, een zoenende Godfried van Bouillon en een ‘door onnatuurlijke liefdeslust verwrongen’ zeemeermin, staat op zijn rug ook een bewegend schilderij dat de aandacht van het gezelschap trekt:

Toen, plechtig, draaide Bertrand langzaam zijn rug naar het gezelschap toe, en de Prinses riep: ‘Cranach.’
‘Inderdaad,’ zei Bertrand. ‘Dit is de enige bewegende en terzelfdertijd nauwkeurige kopie van het schilderij van Cranach, dat in de Galleria Borghese te Rome hangt.’ […] De Cranach-vrouw was zeer delicaat getekend. Haar smalle benen en dijen ondersteunden een maagdelijk, maar gezwollen lichaam, met hoge appelborstjes,  waarover een micasluier hing, die de vormen deed glinsteren. Dit in witte tatoeëerinkt. Zij droeg een vuurrode fluwelen hoed en glimlachte. Aan haar langgeteende smalle voeten zat een Cupido, waarrond bijen zwermden.[20]

Het schilderij dat hier beschreven wordt, vertoont veel gelijkenissen met Cranachs Venere e amore che reca il favo di miele (Venus en Cupido met een honinggraat) dat ook vandaag nog in de Galleria Borghese in Rome te bezichtigen valt. Rechtsboven op dat schilderij staan verzen van Theocritus die commentaar geven op de vergankelijkheid van de liefde en de pijn die ze kan veroorzaken. Het is een thema waarop Claus in het kortverhaal ook varieert:

De beten, de scherpe bijensteken der liefde en zijn zachte milde honing,’ zei Bertrand, keek lang en dringend naar Delia. Toen deed hij zijn schouderbladen bewegen en trok zijn gewelfde rug in plooien. Het Cranach-vrouwtje gleed in idyllisch-verleidelijke curves en de Cupido kromp ineen van het lachen. Of van de pijn, de steken der plots zwermende bijen?’[21]

Het is begrijpelijk dat Antkowiak net dit verhaal uitkoos. Claus’ relaas over de onmogelijkheid van oprechte liefde, gesitueerd in een ‘decadente’ nachtclub past immers wel erg goed in de socialistische afrekening met het ‘decadente Westen’. Bovendien biedt de tekst een uitstekende illustratie van Antkowiaks hierboven al uitgebreid behandelde introductie van Claus’ als een kritische auteur die in zijn werk de ‘meedogenloze moraal van de burgerlijke wereld’ aan de kaak stelde. In ieder geval moet Claus’ introductie in de DDR goed in de smaak gevallen zijn. In hetzelfde jaar als waarin de Erkundungen-band verscheen, werden bij Volk und Welt al plannen voorgelegd voor een bloemlezing met poëzie uit België en Nederland. Voorgesteld werd het werk van Paul van Ostaijen, Gerrit Achterberg, Lucebert en Hugo Claus.

Gebarsten is mijn waterkeel. Gedichte aus Belgien und den Niederlanden (1977)

In februari 1977 publiceerde Volk und Welt de bloemlezing Gedichte aus Belgien und den Niederlanden. Het aandeel van Claus in deze bloemlezing bestond uit 43 nog niet eerder vertaalde gedichten uit diverse bundels.[22] Wat de selectie en presentatie van de auteurs en teksten in deze bloemlezing betreft, lijkt het hier in alle opzichten om een typische internationale DDR-anthologie te gaan. Zo stelt de korte inhoud op de titelpagina de bloemlezing voor als een inkijkje in het wezen en de ontwikkeling van de Belgische en Nederlandse lyriek uit de twintigste eeuw. En net als in de Erkundungen-band wordt dat ‘inkijkje’ ook hier sterk vermaatschappelijkt. De korte inhoud voert de dichters op als ooggetuigen van de crises van de kapitalistische samenleving. Dat blijkt bijvoorbeeld al uit de begrippen die het tekstje gebruikt om de dichters te karakteriseren. Vooral Hugo Claus komt er uit de verf als ‘uitdrukkelijk antiburgerlijk’, als ‘militante individualist’ en als ‘maatschappijcriticus’.

Net als de Erkundungen-band, werd ook deze bundel voorzien van een uitvoerig nawoord – nu van de hand van Hans-Joachim Schädlich, die als freelance vertaler voor verschillende uitgeverijen in de DDR werkte. Dat Schädlich zo’n grote rol speelde in de samenstelling en presentatie van deze bloemlezing is opmerkelijk. Nauwelijks een jaar nadat de bundel verscheen, op 10 december 1977, ontvluchtte hij de DDR. De directe aanleiding voor zijn vertrek was de kwestie rond Wolf Biermann. De maatschappijkritische zanger en dichter mocht in november 1976, na een concert in Keulen, niet meer terugreizen naar de DDR. De ‘Ausbürgerung’ van Bierman zette veel kwaad bloed bij kunstenaars. Het kwam tot grote protestacties en velen onder hen besloten om de DDR te verlaten.

In de bloemlezing is van Schädlichs onvrede niet veel te merken. Dat heeft allicht te maken met het feit dat de bundel net voor de escalatie van de Biermann-affaire werd afgewerkt en naar de drukker vertrok. Anderzijds toont het ook dat de censuurdienst anno 1976-1977 nog steeds een stevige grip had op wat kon verschijnen. Ook vóór de hele Biermann-affaire had Schädlich immers al kritiek op het beleid in de DDR – zijn eigen werk kon er om die reden zelfs niet verschijnen. En toch sloot Schädlich zich in het nawoord in grote lijnen aan bij het kritisch-pessimistische beeld dat Antkowiak in het Erkundungen-deel al van de Nederlandstalige literatuur had geschetst.

Voor Claus werd hier opnieuw ingezet op een schrijversimago dat zich samenbalde in gevoelens van ontgoocheling en onzekerheid over de naoorlogse westerse samenleving. Claus wordt in het nawoord voorgesteld als een dichter die in zijn vroege poëzie een ‘anti-wereld’ creëert waarin ‘onschuld, vertrouwen en begrip prevaleren’. Vooral de vroege gedichten van Claus zijn – zo suggereert Schädlich – te beschouwen als talige alternatieven voor de als ‘ondraaglijk’ gebrandmerkte laat-kapitalistische samenleving.[23] Oftewel, als ‘een poging om de gevoelens van angst, verlorenheid en uitwegloosheid, die typisch zijn voor de naoorlogse periode, te overwinnen’.[24]

Inderdaad selecteerde Schädlich voor deze dichtbundel de meest cynische en maatschappijkritische gedichten van Claus. Ter referentie: in 1979 publiceerde Uitgeverij De Bezige Bij in Amsterdam een verzamelband met gedichten van Claus die tussen 1969 en 1978 verschenen waren en die dus een groot deel van de gedichten samenbrengt waaruit Schädlich had geselecteerd. Hoewel in veel van de gedichten inderdaad een maatschappijkritische verontwaardiging voorhanden is, zijn thema’s als hartstocht, vitaliteit en erotiek minstens zo prominent. Maar van die erotisch-hartstochtelijke elementen in Claus’ dichterschap blijft in Schädlichs selectie weinig over. Ik citeer ter illustratie het gedicht ‘Kühl ist die Welt’[25] [‘Koel is de wereld’[26]].

 

De kilte, de angst en de onmogelijkheid om te handelen, die in dit gedicht zo prominent zijn, keren ook in de meeste andere gedichten uit de bundel terug. Twee semantische velden lijken daarbij met name sterk vertegenwoordigd: gevangenschap of het verlies van zelfbeschikking en taal, of beter gezegd, de onmogelijkheid om zijn stem te gebruiken. Hoewel de gedichten natuurlijk ook op veel punten verschillen van het kortverhaal uit de Erkundungen-band lijkt uit al deze teksten wel een soort ‘Clausiaans subject’ naar voren te treden. De teksten die in de bloemlezingen worden voorgesteld, lijken steeds opnieuw een subject voor te stellen, dat in een verkilde of verkrampte maatschappij zijn zelfbeschikking of handelingskracht verliest. Het is in ieder geval een interessante voorafspiegeling van hoe het Victor-Denijs De Rijckel uit De verwondering / Die Verwunderung zal vergaan.


Conclusie

Aan het begin van deze bijdrage merkte ik op dat het opmerkelijk is dat uitgerekend De verwondering Claus’ eerste solo-publicatie in de DDR zou worden. Niet alleen is het voor buitenlandse lezers moeilijk om zich te oriënteren in de historische en politieke achtergronden, bovendien is de roman ook op formeel vlak een stevige uitdaging. Zeker in de DDR, waar formeel experiment doorgaans werd afgewezen als decadente ‘Spielerei’, lijkt De verwondering geen voor de hand liggende keuze.

In deze bijdrage heb ik willen aantonen dat de vertaling van De verwondering begrepen moet worden als een nieuwe stap in een langer, en erg geleidelijk, introductieproces. Via twee kleinere publicaties in bloemlezingen werd alvast een beeld van Claus en zijn oeuvre gecreëerd, waar later De verwondering prima zou inpassen. De Erkundungen-band en Gedichte aus Belgien und den Niederlanden stellen Claus voor als een radeloze kunstenaar die zich in zijn werk te weer stelt tegen de verpletterende moraal van de laat-kapitalistische samenleving. Dat gebeurde niet alleen via de nawoorden, maar ook via een zorgvuldige selectie van de teksten die in de bloemlezingen werden opgenomen. Zowel in het korte verhaal als in de gedichten herkennen we literaire subjecten die ten onder gaan aan de verkilde maatschappij en daardoor in een soort radeloze ‘handelingsloosheid’ vervallen.

Voortbouwend op het zorgvuldig gecureerde schrijversimago dat in de Erkundungen-band en in Gedichte aus Belgien und den Niederlanden werd geconstrueerd, kon De verwondering aan de DDR-lezers prima gepresenteerd worden als een hoogtepunt van Claus’ afrekening met de kapitalistische samenleving. In die zin bereidden de internationale anthologieën van Volk und Welt dus niet zozeer de ontdekking van Claus als wel de constructie van een naar eigen inzichten gecureerde DDR-Claus voor. Hoe de Duitse vertaling van De verwondering de ontdekking van Claus als rebelse antikapitalist bestendigde, zal ik in mijn volgende bijdrage reconstrueren.

 


Dit is deel 2 in de reeks ‘Vensters op de wereld: De Nederlandstalige literatuur bekeken vanuit de DDR’ door Ulrike Burki. 
Der DDR-Bevölkerung ein Fenster zur Welt bieten – De DDR-bevolking een venster op de wereld bieden. Dat was het motto van Volk und Welt. Vanaf 1961 tot nog na de val van de muur was Volk und Welt de belangrijkste uitgeverij voor internationale literatuur in Oost-Duitsland. In het fonds verschenen opvallend veel vertalingen uit het ‘kapitalistische’ westen Daaronder ook teksten uit Nederland en Vlaanderen. Wat gebeurt er met teksten als ze door politieke systemen reizen en vooral ook: wat zien we als we door het Volk und Weltvenster naar de Nederlandstalige literatuur kijken?
<<< Lees hier deel 1
>>> Lees binnenkort deel 3

Noten
[1] Wout Wellinck 25 maart 1962.
[2] Mathijs Sanders & Tom Sintobin 2014, 9-10.
[3] W. Kok 4 april 1961.
[4] Hugo Claus (vert. Maddy Buysse) L’étonnement. Mazarine / Editions Complexe, 1976.
[5] Hugo Claus (Udo Birckholz vert.) Die Verwunderung. Volk und Welt, 1979.
[6] Erich Honecker toonde zich in 1971 in een toespraak voor het centrale comité van de SED bereid om een stuk flexibeler te zijn in het cultuurbeleid: ‘Als men van de stevige positie van het socialisme uitgaat, kunnen er naar mijn mening geen taboes bestaan op het gebied van kunst en literatuur. Dat betreft zowel vragen op het gebied van de inhoudelijke vormgeving als van de stijl. In het kort, vragen over dat wat men artistiek meesterschap noemt.’ (Geciteerd in: Pisarz-Ramirez 2007, 1782).
[7] Günter Erbe 1993, 9.
[8] Origineel: ‘Bewusst und aggressiv hingegen rückt Hugo Claus, der “flandrische Rebell”, die Unmöglichkeit der Liebe in einer Gesellschaft in den Blickpunkt, deren Gesetz eine falsche, verkrampfte, unmenschliche Moral ist.’ (Antkowiak 1976, p. 303).
[9] Origineel: ‘In den Romanen “De Metsiers” (1951), “De hondsdagen” (1952) und “Een bruid in de morgen” (1953) geht die Schönheit der Liebe ausnahmslos an einer abgrundtief hässlichen Wirklichkeit zugrunde, sie wird, da nach dem Sittenverständnis der Bürgerwelt verboten, rücksichtslos zerstört, zerwalkt, vernichtet. Und in den Romanen “De verwondering” (1962) und “Omtrent Deedee” (1963) nennt er die Destrukteure menschlichen Glücks beim Namen: Es ist einmal der in gewissen bourgeoisen Kreisen auch in der Nachkriegsepoche immer noch “schicke” Faschismus, ein andermal der dogmatische Katholizismus.’ (Antkowiak 1976, p. 303).
[10] Walther 1996, p. 499.
[11] Origineel: ‘Freilich bin ich zu der Überzeugung gelangt, dass die revisionistische Glut auch heute noch am stärksten im Literarischen schwelt. […] Aus diesem Grunde schlage ich einen Einsatz in einem belletristischen Verlag vor, wo mir die ideologische und politische Abwehr nach wie vor dringlich erscheint.’ (Walther 1996, p. 500).
[12] Vgl. Gwennie Debergh 2021.
[13] Hugo Claus (1966), geciteerd in: Absillis, Beeks, Lembrechts & Wildemeersch 2013, 67.
[14] Fernand Auwera 1969, 91.
[15] Origineel: ‘Diese Prosa reproduziert mit den ihr eigenen und formal bis zum letzten ausgeschöpften Mitteln die spätkapitalistische Gesellschaft wie in der Nuss. Was ihr allenthalben mangelt, ist die Gewissheit einer menschlichen Zukunft, das wuchert gelegentlich zum Zweifel am Menschen selbst aus, darin vor allem zeigt sich ihre bürgerliche Begrenzung.’ (Antkowiak 1975, p.20).
[16] Hugo Claus (1959), Geciteerd in: Absillis, Beeks, Lembrechts & Wildemeersch 2013, 49.
[17] Hugo Claus (1968), Geciteerd in: Absillis, Beeks, Lembrechts & Wildemeersch 2013, 72.
[18] Origineel: ‘Von Hugo Claus liegt mir der Erzählungsband “De zwarte keizer” vor, der einige vortreffliche Geschichten enthält; sie sind jedoch alle entstanden zwischen 1948 und 1957. Ich konnte mich – wegen des eingangs erwähnten Zeit-Prinzips – nicht entschließen aus dieser Sammlung etwas aufzunehmen, zumal von Claus noch zwei weitere Erzählbände späteren Datums existieren. Das sind “Natuurgetrouwer” und “Gebet (sic.) om geweld”. Diese beiden Bände möchte ich noch einsehen um endgültig eine Wahl zu treffen. Sollte hier nichts brauchbares zu finden sein (was ich mich eigentlich nicht denken kann), so müssen wir wohl oder übel auf eine Geschichte aus “De zwarte keizer” zurück-greifen, also noch einmal das Zeit-Prinzip durchbrechen, was ich, wie gesagt, verdammt ungern täte.’ (Antkowiak 1974).
[19] Hugo Claus 1969, 55.
[20] Hugo Claus 1969, 57.
[21] Hugo Claus 1969, 57.
[22] Meer bepaald: Hugo Claus, Gedichten (1948-1963), Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 1972; Hugo Claus, Heer Everzwijn, Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 1970; Hugo Claus, Van horen zeggen. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 1972; Hugo Claus, Figuratief. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 1973.
[23] Schädlich 1977, 201-202.
[24] Origineel: ‘Es ist der Versuch, das für die Nachkriegszeit typische Gefühl von Angst, Verlorenheit, Auswegslosigkeit zu Überwinden.’ (Schädlich 1977, 201).
[25]Hugo Claus 1977, 152.
[26] Hugo Claus 1994, 113.

 


Literatuur
  • Absillis, Kevin; Beeks, Sarah; Lembrechts, Kris & Wildemeersch Georges (red.), De plicht van de dichter. Hugo Claus en de politiek. De Bezige Bij, 2013.
  • Antkowiak, Alfred. Niederländische Erkundungen; Exposé und Auswahlvorschlag, Juni 1974.
  • Antkowiak, Alfred (red.) Erkundungen I. 21 Erzähler aus Belgien und den Niederlanden. Hrsg. und mit einem Nachwort versehen von Alfred Antkowiak. Volk und Welt, 1976, 296-306.
  • Auwera, Fernand. ‘Hugo Claus’, in: Schrijven of schieten? Standaard Uitgeverij, 1969, 86-94.
  •  Claus, Hugo. Natuurgetrouwer. De Bezige Bij, 1969.
  • Claus, Hugo. (Maddy Buysse vert.) L’étonnement. Mazarine / Editions Complexe, 1976.
  • Claus, Hugo. (Udo Birckholz vert.) Die Verwunderung. Volk und Welt, 1979.
  • Claus, Hugo. Gedichten 1969-1978. De Bezige Bij, 1979.
  • Claus, Hugo. Gedichten 1948-1993. De Bezige Bij, 1994.
  • Debergh, Gwennie. ‘Hugo Claus. I’m Not Searching for Myself, but for the Media. I Don’t Know Who I Am, I’m Not Interested’, in: Helleke van den Braber, Jeroen Dera, Jos Joosten en Maarten Steenmeijer (red.) Branding Books Across the Ages: Strategies and Key Concepts in Literary Branding. Amsterdam University Press, 2021.
  • Dubois, Pierre. ‘De geïnspireerde emotionaliteit van Hugo Claus’, in: Vaderland, 15 december 1979.
  • Eickmans, Heinz. ‘Tussen informatie en ideologie. Parateksten bij DDR-anthologieën van Nederlandstalige literatuur’, in: Internationale Neerlandistiek, vol. 57, 2019, nr.1, 35-60.
  • Erbe, Günter. Die verfemte Moderne. Die Auseinandersetzung mit dem ‘Modernismus’ in Kulturpolitik, Literaturwissenschaft und Literatur der DDR, Verlag für Sozialwissenschaften, 1993.
  • Kok, W. ‘Bij Hugo Claus in Gent’, in: De Nieuwe Stem, 4 april 1961.
  • Pisarz-Ramirez, Gabriele. ‘Übersetzungskultur in der DDR – eine Fallstudie’, in: Harald Kittel u.A. (Red.) Übersetzung, Translation, Traduction. Ein internationales Handbuch zur Übersetzungsforschung. Walter de Gruyter, 2007, 1779-1799.
  •  Sanders, Mathijs & Sintobin, Tom. ‘Inleiding’, in: Mathijs Sanders & Tom Sintobin (red.) Lezen in verwondering. Veertien leeswijzers bij een roman van Hugo Claus, Uitgeverij Vantilt, 2014, 9-24.
  • Schädlich, Hans Joachim (red.) Gedichte aus Belgien und den Niederlanden. Herausgegeben und mit einem Nachwort versehen von Hans Joachim Schädlich. Volk und Welt, 1977.
  • Schädlich, Hans Joachim. ‘Nachwort’, in: Gedichte aus Belgien und den Niederlanden. Volk und Welt, 1977, 195-202.
  • Walther, Joachim. Sicherungsbereich Literatur. Schriftsteller und Staatssicherheit in der Deutschen Demokratischen Republik. Ch. Links Verlag, 1996.
  • Wellinck, Wout. ‘Wout Wellinck sprak met Hugo Claus. Voor ons, doodgewone Chinezen. De taal der Mandarijnen’, in: De Post, 25 maart 1962.
  • Das Bundesarchiv, Berlin, DR 1/2360a / Schreck, Joachim. Verlagsgutachten. Oktober 1975.
  • Das Bundesarchiv, Berlin DR 1/2363 / Hipp, Helga, Verlagsgutachten, juni 1976.

Afbeeldingen: Detail ‘Lucas Cranach d.Ä. – Venus mit Cupid als Honigdieb (Galleria Borghese)‘ via Wikimedia Commons; Cover Gedichte aus Belgien und den Niederlanden, Hans Joachim Schädlich (red.), Volk und Welt, 1977.

 

Ulrike Burki (1998) behaalde in 2020 haar master Nederlandse en Duitse taal- en letterkunde aan de Universiteit Antwerpen. Momenteel volgt ze de onderzoeksmaster Nederlandse literatuur en cultuur aan de Universiteit Utrecht, waar ze onderzoek doet naar de status van de Nederlandstalige literatuur in de DDR.