Beste collega’s,

U helpt dus, zo begreep ik via de videoboodschap waarmee minister Ingrid van Engelshoven maandag dit colloquium opende, “mee aan de verspreiding van de Nederlandse Cultuur”, “u vernederlandst de wereld ook een beetje”. Een benijdenswaardige functie vervult u daarmee – u zet in zekere zin het werk van de VOC voort, maar dan met iets vreedzamere middelen en een veel lager salaris. Zij het overigens wel de VOC uit de tweede helft van de 18de Eeuw. De Gouden Eeuw is lang vervlogen, het land verkeert in steeds  diepere crisis, maar gelukkig wordt er nog altijd goed geld verdiend en wie de waarheid in pacht meent te hebben kan die ongevraagd over de wereld blijven uitstorten. Maar zou daar wereldwijd eigenlijk een grote behoefte aan bestaan – “de wereld [te] vernederlandsen”? Het is ooit met dit land [België, red.] geprobeerd en het wordt hier niet herinnerd als een groot succes. Collega’s uit Suriname, Zuid-Afrika en Indonesië gebruiken misschien nog forsere formuleringen.

Van Engelshoven is, zoals u allicht weet, Minister van OC&W, zoals dat in Nederland heet: ‘Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’. Bij het aanschouwen van het filmpje drong zich onder meer de vraag op in welke van die drie hoedanigheden ze ons neerlandici eigenlijk aansprak. Zeer zeker als minister van Onderwijs – u maakt anderstaligen immers “bekend met de spelling, de grammatica, met onze literatuur,” aldus Van Engelshoven. En allicht ook als minister van Cultuur: u leert buitenlanders misschien ook wel typisch Nederlandse woorden, opperde ze, “zoals ‘gezellig’ en ‘uitwaaien’”. Ja, je zal toch maar moeten leven op een plek waar men geen idee heeft wat ‘gezelligheid’ betekent of waar het nooit eens hard waait.

Wat Van Engelshoven echter niet deed, was ons aanspreken als wetenschappers. De enige keer dat ze naar haar titel en positie verwees, had ze het over zichzelf als de “Minister van Onderwijs en Cultuur”. Het is een veelbetekenende omissie. U leert anderstaligen rare woorden en ‘onze’ literatuur kennen, maar wat u blijkbaar niet doet is bijdragen aan de kennisproductie over die cultuur.

Nu denkt u misschien: goh, die Vlaming is intussen goed ingeburgerd in die brutale Nederlandse cultuur… zo zijn eigen minister afzeiken. En misschien is dat zo. Maar de kwestie is veel wezenlijker dan mijn particuliere assimilatie of grote bek. Dit gaat over het Nederlandse zelfbeeld, over de manier waarop vanuit het centrum van de Nederlandse macht naar de eigen taal en cultuur wordt gekeken en, zoals uit die paar zinnetjes van minister Van Engelshoven mag blijken, uit de paternalistische, bepaald nog niet gedekoloniseerde toon waarop gesproken wordt met en over de Ander.

Die toon is intrinsiek problematisch, maar vandaag is hij dat misschien nog net iets meer. De Gouden Eeuw van de neerlandistiek in de Lage Landen is immers voorbij – definitief. In Nederland is het aantal studenten het afgelopen decennium nagenoeg gehalveerd. En ook in Vlaanderen zijn de inschrijfcijfers lang niet meer wat ze aan het begin van de eeuw waren. En dat terwijl de neerlandistiek in de rest van de wereld bloeit. De neerlandistiek in de Lage Landen begint zich op die manier steeds meer in de positie te bevinden van de katholieke kerk in die gewesten toen er zich in eind vorige eeuw plots parochiepriesters uit Afrika aandienden: de rollen waren nu omgekeerd, nu waren ze zelf missiegebied geworden. Geen goed moment om hoog van de toren te gaan blazen.

Maar natuurlijk evenmin een moment om bij te pakken te gaan neerzitten. En dat gebeurt dan ook niet. Na decennialange verwaarlozing is de academische (zeker ook letterkundige) neerlandistiek zich opnieuw gaan bezighouden met het schoolvak Nederlands. En dat was hoog nodig. Hoewel academische moedertaalstudies overal in het Westen enorme klappen krijgen, heeft het beroerde imago van het schoolvak Nederlands de afgelopen jaren leerlingen vast niet aangemoedigd om de eigen taal en cultuur te gaan bestuderen. Maar er speelt nog een breder en pijnlijker cultureel probleem in Nederland. Wanneer opleidingen zoals (in Utrecht) Geschiedenis en Literatuurwetenschap verengelsen, blijken ze plots een veelvoud aan studenten te trekken. Internationale studenten, maar vooral ook veel Nederlanders. Het imagoprobleem van het Nederlands heeft, zo lijkt het, ook een opmerkelijke politieke component. Liberale, kosmopolitische studenten zijn zeer zeker nog geïnteresseerd in taal en cultuur, maar wanneer je Nederland in het Nederlands bestudeert dan ben je eigenlijk al bijna een gevaarlijke nationalist. En hoewel, zoals u ongetwijfeld weet, Nederland nu een kabinet heeft dat bewust het Wilhelmus promoot, is die tendens ook in Den Haag heel erg aanwezig. De Taalunie bijvoorbeeld kan er de leden van de Tweede Kamer niet of nauwelijks boeien. Veelzeggende uitzondering: Martin Bosma, van de PVV.

Waar voor mijn en oudere generaties de taal- en literatuurstudie die toen nog ‘Germaanse’ heette, de deur naar de wereld zou openen (en dat in vrijwel alle gevallen ook deed, want ‘we’ werden massaal journalist, schrijver, zanger, cabaretier) lijkt het nu alsof je je als neerlandica verkleint tot de polder. Dat is natuurlijk niet het geval en dat is het ook nooit geweest, maar toch is het misschien goed wat nu volgt in dat licht te begrijpen.

En wat nu volgt is dus een radicaal voorstel, vanuit het wankele, het schamele centrum, om de Neerlandistiek te herdopen tot ‘Vergelijkende Neerlandistiek’. De naam van onze club hoeven we er niet eens voor te veranderen – dan worden we gewoon Internationale Vergelijkende Neerlandistiek. Want dat zegt ook nog eens precies wat ik eigenlijk bedoel.

Een voorstel dat allerminst bedoeld is als panacee, maar wel als een, hopelijk stimulerende, realitycheck.

De betekenis van de term ‘Vergelijkende Neerlandistiek’ mag duidelijk zijn. Op het eerste gezicht is het een contradictio in terminis: hoe kan iets dat Eén is, vergeleken worden? Hoe kun je jezelf met jezelf vergelijken?
Maar dat is natuurlijk de kern van de zaak: de neerlandistiek is nooit één geweest.

De neerlandistiek is altijd een raar beest geweest, maar het kwam daar al te zelden voor uit. Er is wel vaak lippendienst bewezen aan ‘eenheid in verscheidenheid’, maar is dat wel voldoende ernstig genomen, onder meer door het systematisch uit te zoeken en uit te dragen?

Onder invloed van taalpolitiek gezien cruciale instituties als de Taalunie en Stichting Ons Erfdeel wordt een eenheid gesuggereerd die er in de praktijk nooit is geweest. Collega’s taalsociologen hebben daar al vaak op gewezen – van de Vlaamse minister-president kregen ze hier begin deze week te horen dat ze dat misschien nog wel mogen blijven onderzoeken, maar dat hij het wel ten strengste afkeurt. Het Vlaamse woord ‘goesting’ mag van Geert Bourgeois aan het Nederlandse lexicon worden toegevoegd, maar voorts wil hij die tussentaal nooit meer horen. Dat eerste is overigens al volop het geval, maar van dat laatste kan hij blijven dromen. Meer nog: als hij die eis aan zijn eigen kiezers zou stellen, is hij overmorgen werkloos.

Het is een geschiedenis die ik voor u uiteraard niet hoef te reconstrueren, maar ik wijs toch nog even op enkele symptomatische feiten. In cruciale ambtelijke documenten was er sprake van “integratie” en “verantwoord gebruik van het Nederlands”. Er was dus wel degelijk een diep besef van de bestaande variatie, maar die werd als onwenselijk gezien. In de Waalse neerlandistiek heerste nog tot het begin van de jaren negentig het concept van de “Vlaamse fout” en kon een Vlaming er eigenlijk niet aangesteld worden omdat hij de studenten een verkeerde vorm van Nederlands zou aanleren. Ook al heerste in het gros van de westerse faculteiten Geesteswetenschappen de deconstructie, in de wereld der neerlandici heerste nog een duidelijke norm en die kwam uit Venlo noch Veurne.

Vandaag is het klimaat anders. De Taalunie bevindt zich ongeveer in de positie van de Europese Unie: een cruciale institutie, maar van een “commitment to progress towards an ever closer Union” durft nauwelijks nog iemand te spreken. Maar hoe moeten we die onderlinge relatie dan wel zien? Ik denk: door al die verschillen radicaal te thematiseren. Vandaar: Vergelijkende Neerlandistiek.

(In wat volgt spreek ik louter als literatuur- en cultuurwetenschapper; onze taalkundige collega’s hebben zeker van mij geen advies te ontvangen.)

In de praktijk weten we natuurlijk allemaal dat er grote verschillen in literatuur en cultuur zijn in wat officieel het Nederlandstalige gebied heet. Het intussen voltooide literatuurgeschiedenisproject van de Nederlandse Taalunie demonstreert dat overduidelijk. Nooit eerder werd de Nederlandstalige literatuur zo exhaustief en in haar vele varianten beschreven. Maar dat gebeurde op een manier die, zoals ook uit het begin deze zomer in Amsterdam verdedigde proefschrift van Lisanne Snelders blijkt, heel typisch is voor hoe in onze cultuur en dus ook in ons vak met verschil wordt omgegaan: door het te compartimentaliseren. Het eigenlijke verhaal gaat over Nederland en dan hebben we ook nog aparte stukjes over Vlaanderen, over de koloniale literatuur, over de Surinaamse literatuur en over streek-, kinder- en jeugdliteratuur. We leven – supranationaal gezien – nog altijd in verzuilde tijden: ieder zijn eigen hoofdstuk, ieder zijn eigen hokje. Een systematische vergelijking – daar komen we maar heel sporadisch aan toe. Echte studie naar dwarsverbanden en wederzijdse invloed staat nog in de kinderschoenen.

[Om even de twistappel te noemen die ik het beste ken: er zijn boeken en tijdschriftnummers volgeschreven over de vraag of de Vlaamse literatuur bij de Nederlandse hoort (of de Vlaamse dus de ‘Zuid-Nederlandse’ literatuur is). Terwijl het antwoord allicht eenvoudig is: het hangt er maar vanaf hoe en wanneer je naar die literaturen kijkt. En vanaf dan worden de vragen veel moeilijker maar dus ook spannender: wanneer en waarom groeien ze soms naar elkaar toe en wanneer en waarom gebeurt op andere momenten het tegenovergestelde? Is er een verband tussen de taalsituatie en de poëtica in Vlaanderen? Wat zegt het over (delen van de) literatuur uit Nederland wanneer die – institutioneel, poëticaal – de Vlaamse opzoekt dan wel negeert?][1]

Het zou er dus niet langer over moeten gaan dat gebied X of onderwerp Y ook mag meedoen, het gaat erom dat ze natuurlijk gewoon meedoen en dat we moeten leren zien hoe, en leren beschrijven hoe dan precies. Kunnen we eigenlijk het verschil aanduiden tussen Young Adult literatuur en boeken die voor volwassenen zijn geschreven? Is dat verschil vergelijkbaar met het verschil tussen middle- & highbrow? En gaat er intussen ook enige invloed uit van de Young Adult op de andere literatuur, nu adolescenten veel meer dan vroeger een ‘eigen’ literatuur hebben? En even natuurlijk horen slam, spoken word en liedteksten bij onze onderzoeksobjecten: ze functioneren voor alle betrokkenen als literatuur – voor veel aanwezigen in de zaal vormen ze misschien zelfs hun belangrijkste literaire ervaring; dus laat ons de discussie of ze erbij horen achter ons laten en ons gaan afvragen hoe ze er dan precies bij horen. Waaruit die literaire ervaring dan eigenlijk bestaat en hoe die zich verhoudt tot de ervaring van romanlezers en van die paar honderd mensen die wel eens een dichtbundel lezen. Maar ook: hoe verhoudt die ervaring zich tot die van wie in pre-Tachtigerstijden vooral (of misschien zelfs louter) te maken kreeg met orale vormen van literatuur, of met die van de miljoenen die vandaag enkel met literatuur te maken krijgen via het werk van scenaristen voor tv-reeksen.

Waar het uiteindelijk op neerkomt is dat het onderscheid tussen intra en extra, tussen binnen en buiten wordt geproblematiseerd. Niet finaal gedeconstrueerd – alsof de positie van het Nederlands in Kiev eigenlijk wel zo ongeveer dezelfde is als die in Kortrijk. Dat is natuurlijk onzin. Ook schrijvers en kunstenaars zijn heel lokaal gesocialiseerd. Ook een schijnbare kosmopoliet als Hugo Claus toonde zich in Parijs en Amsterdam toch zeker ook een Vlaamse Belg. En ondanks de Nobelprijs voor Bob Dylan is er in de literaire wereld ook vandaag natuurlijk nog altijd een hiërarchie waardoor het veel waarschijnlijker blijft dat Nachoem Wijnberg een grote literaire prijs wint dan Akwasi. Het punt is dat voor een bepaald publiek Akwasi inspireert, overdondert en ontroert – en dat de manieren waarop hij dat doet het onderzoeken waard zijn.  (Om gastheer Dirk De Geest een plezier te doen, zal ik dat nu voor het gemak even Vergelijkend Functionalisme noemen.)

De winst van het comparatieve zit ’m ook in de principiële gelijkwaardigheid van de vergeleken onderdelen. Het compartimentaliseren met nog een klein hokje voor de Vlamingen of Surinamers of rappers of scenaristen is dan voorbij. A en B kunnen wel van een andere grootte zijn, maar wanneer je ze vergelijkt krijgt B automatisch evenveel aandacht.

Vergelijkende Neerlandistiek: dat het een contradictio in terminis lijkt, is dus misschien wel de belangrijkste boodschap. Want dat is het dus niet. Het is geen contradictio in terminis, het is een pleonasme. Er is immers bovenal diversiteit – talige, poëticale, sociale, culturele & politieke diversiteit. En die hebben we natuurlijk deels wel bestudeerd (in het poëticaonderzoek uit de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw, bijvoorbeeld, of in de studies naar hoe de verzuiling doorwerkte in de literatuurkritiek), maar niet systematisch en, vooral, niet principieel genoeg.

In het Utrechtse onderwijs proberen we dat nu wel te doen. Literatuurvakken worden er in de bachelor vaak diachroon gedoceerd – specialisten van de Middeleeuwse, Vroegmoderne en Moderne literatuur bestuderen er samen met studenten hoe literaire instituties als uitgeverijen en mecenaat zich ontwikkelden, hoe en waardoor het denken over literaire taal veranderde, welke genres wanneer wel/niet tot de literatuur werden gerekend en zo meer.

In onze onderzoeksmaster Nederlandse Literatuur en Cultuur doen we dat vooral synchroon. Zo vergelijken we het denken over kunst en over literatuur en we hebben er ook een module die zowaar ‘Vergelijkende Neerlandistiek’ heet waarin we het Vlaamse, het Nederlandse, het Indonesische en het Surinaamse nationalisme met elkaar vergelijken. Wat je dan niet allemaal gaat zien…

Zo ontdekten we – dankzij Duitse Erasmusstudente Lisa Mensing  – dat Anne Frank in Duitsland veelal als een Duitse auteur wordt gezien, of wanneer dat in de concrete formulering een beetje te gênant zou worden, als een Frankfurtse. Als het erom gaat belangrijke auteurs te claimen, maakt de taal waarin ze actief zijn dus eigenlijk niet zo uit. Net zo ging – nadat hij in de New York Times een van de belangrijkste auteurs van de eeuw was genoemd – de vanuit Amsterdam in het Duits schrijvende Hans Keilson in het tv-programma De Wereld Draait Door plots als een lokale auteur gelden. ‘Culturele Toe-eigening van Witte Auteurs, van Heinrich von/Hendrik van Veldeke tot Keilson’: ook dat zou misschien wel een vergelijkend onderzoek waard zijn. Wanneer treedt dit fenomeen op, en waar en wanneer heeft het met chauvinisme te maken en wanneer met talige of politieke redenen?

Waarbij dan meteen ook die term ‘toe-eigening’ deel van het onderzoek moet worden natuurlijk, want waarom zouden Europese auteurs geen dubbele nationale affiniteit kunnen hebben? Als Chimamanda Ngozi Adichie Nigeriaans-Amerikaans en Zadie Smith Jamaicaans-Brits-Amerikaans kunnen zijn, waarom zou Keilson dan niet Duits-Nederlands kunnen zijn? Het Maas-Rijngebied was vroeger één literaire ruimte, maar vandaag is via snelle treinen en vliegtuigen de hele wereld potentieel zo’n gedeelde ruimte.

Wat uiteraard niet betekent dat er in die gedeelde ruimte geen enorme verschillen meer zouden kunnen optreden. Uit het onderzoek van studente Tara Neplenbroek naar de literaire doorwerking van wat er op 30 mei 1969 in Willemstad gebeurde, bleek dat wanneer een Vlaamse auteur zich hierover buigt – in casu: Stefaan Brijs in Maan en zon (2015)  – zijn literaire model Oproer in Congo (uit 1953) van Gerard Walschap betreft; beide romans worden verteld vanuit een priestergemeenschap. Het is dus de Vlaamse koloniale literatuur die gebruikt wordt om een sleutelmoment in de Nederlandse koloniale geschiedenis te fictionaliseren. De Nederlandse literaire werken over dit gebeuren gaan uiteraard niet via Congo/Walschap, maar bij Jan Brokken (1997) blijven exotiserende en koloniale gedachten een rol spelen, alsof de opstand niks met het Nederlandse bestuur te maken had – een echo op zijn beurt van De morgen loeit weer aan van Tip Marugg (1988), terwijl Anil Ramdas in zijn voor Nederland veel kritischere beschouwing over 30 mei 1969 een intertekstuele link legt naar Frank Martinus Arion. Opnieuw: afkomst en socialisering spelen een belangrijke rol.

De vergelijking kan natuurlijk op een nog breder vlak gebeuren, wat ik zelf de afgelopen jaren probeerde te doen in onderzoek naar de Europese dichtkunst van de Eerste Wereldoorlog en de mondiale cultuur van de jaren zestig. En dan komt Willemstad 1969 weer in een geheel ander licht te staan. Niet dat van de incidentele gewelddadige opstoot in een verre Nederlandse kolonie, maar als een zwarte opstand in een stad op het Amerikaanse continent – helemaal in de lijn van wat zich sinds 1965 in de Verenigde Staten had afgespeeld in Watts, Detroit, Newark, Chicago, Washington DC en zo vele andere steden waar systemisch racisme en economische achterstelling en uitbuiting alomtegenwoordig waren.

Surinaamse revolutionaire poëzie uit deze jaren – zoals sommige bundels van Michaël Slory  – komt niet echt tot zijn recht wanneer je ze naast een relatief politieke Zestigersbundel van J. Bernlef als Het testament van De Vliegende Hollander (1969) legt of naast de internationale anti-Vietnamoorloglyriek van Erich Fried of zelfs Blues voor de guerilla (1969) van Leopold M. Van den Brande. Hij lijkt zich buiten de moderne literatuur te bevinden. Maar wie Slory’s werk beschouwt in het licht van de gedichten van activisten of gewapende strijders uit Mozambique, Angola of Zuid-Afrika ziet een patroon ontstaan van dekolonisatiepoëzie waarin Patrice Lumumba en Albert Luthili en later in het decennium ook Che Guevara als rolmodellen en, als je het zo wil zien, interteksten gaan functioneren en dus als onderdeel van de pan-Afrikaanse Black Atlantic waarin een andere moderniteit (en vooral ook literaire invulling daarvan) speelt dan in het witte Westen.

Wie het Vlaams nationalisme bekijkt in het licht van die nationalistische bevrijdingsbewegingen, valt de revelerende anomalie op dat Vlamingen zichzelf gebukt weten onder het juk van een als vreemd ervaren heerser, maar niet geneigd zijn het een probleem te vinden wanneer zij in Congo zelf die vreemde heerser zijn. Een zeldzame auteur voor wie dat niet gold, zo bleek uit vergelijkend onderzoek van studenten Joris Veerbeek en Hidde Slotboom, was – is, want hij leeft nog altijd – Tone Brulin. Brulin was betrokken bij de oprichting van Tijd en Mens en Gard-Sivik, wat hem in de meeste literatuurgeschiedenissen wel een paar vermeldingen oplevert. En ook dat draagt weer een interessante vergelijkingsmogelijkheid in zich: Brulin is de persoon die Antonin Artauds Theater van de Wreedheid in het Nederlands introduceerde op een moment dat het dichterlijke, prozaïstische en dramaturgische literaire veld nog in belangrijke mate samenviel. Welke impulsen gingen er in dat opzicht vanuit de theaterwereld uit naar de dichters en romanciers?

Brulin zelf schreef voor het boek en voor de planken, alwaar hij ook actief was als regisseur. Zijn onvergelijkbare parcours maakt hem tot de allermooiste casus voor een vergelijkende mondiale neerlandistiek: zowel geografisch als transmediaal heeft hij immers quasi het volledige terrein bestreken.[2] De kaart die u hier ziet geeft het volledige gebied aan waar het Afrikaans en het Nederlands hun invloed zouden hebben laten gelden. En in vrijwel al die gebieden heeft Brulin gewerkt, en ervaringen en culturele uitwisselingen in die gebieden hebben hem in zijn literaire en dramaturgische werk geïnspireerd.

Antwerpenaar Brulin werd uitgegeven en bekroond in Nederland, hij werkte er voor de VPRO en in het theater. Hij was met de Brusselse KVS in Congo (toen nog Belgisch Congo) en schreef proza en theater over de aanwezigheid van Congolezen tijdens Expo 58 en de ontluisterende omgang met Lumumba tijdens de dekolonisatie. Hij was actief in het Zuid-Afrikaanse theater; met Athol Fugard, David Herbert en acteur Clive Farel uit Sierra Leone richtte hij er het gezelschap The New Africa Group op. De Apartheidswetten maakten het hem dra echter onmogelijk om zwart en wit te laten samenspelen en dus vertrok hij er weer. En hij niet alleen. Langs die weg werd Farel in 1961 de eerste zwarte acteur die op een Vlaams theaterpodium stond – bij het Antwerpse Kamertoneel, in een productie van Brulins eigen Congo-tekst Potopot. Zijn over Apartheid handelende toneelstuk De honden werd ondanks een oproep tot verbod vanuit Zuid-Afrika en bepaalde flamingantische kringen een groot succes – ook internationaal. En dat succes bracht Brulin steeds vaker ver weg van Vlaanderen. Zijn stukken werden gespeeld in Parijs, Warschau, Praag, Moskou, Utrecht, Palermo, in Cuba en in de Verenigde Staten, alwaar hij ook een tijd doceerde in Vermont en Ohio. In 1963 al correspondeerde hij met Jerzy Grotowski, en met Frans Marijnen zou Brulin diens baanbrekende denken over het theater verspreiden in de Lage Landen; op het eind van het decennium brachten zij Grotowski ook naar Mechelen voor workshops die onder meer een blijvende impact hadden op de nog jonge Jan Decorte.

Op initiatief van Ed Hoornik nam Brulin in 1970 na uitnodiging van STICUSA het Cultureel Centrum Curaçao onder zijn hoede. In welke taal moet dat dan, vroeg een pientere journalist van De Standaard zich af. Brulins antwoord verraadt dat hij toen mentaal al in een cultureel superdiverse wereld leefde die vandaag in de Lage Landen nog altijd een uitdaging vormt en die door de Vlaamse minister-president en zijn partij zelfs hartsgrondig wordt afgewezen. Het kan, aldus Brulin, in het Nederlands, het Papiamento of het Engels. Dat hing van de scene af en van de acteurs. “Wij moeten op het teater tot een taalruimheid komen om het toneelleven aan te passen aan de huidige internationalistische problematiek”.

Brulin kwam op Curaçao niettemin in een moeilijke situatie terecht. Hij stelde uitdrukkelijk dat hij geen neokolonisator wilde zijn, maar hij had tegelijk wel de opdracht het theaterleven aldaar op een hoger plan te brengen. Toen hij er – na een hele reeks succesproducties met lokale makers, vaak gebaseerd op lokaal, soms oraal overgedragen materiaal – een kleine drie jaar later weer vertrok, bleek pas echt hoe complex die positie eigenlijk was. Ja, hij had het eiland zeker veel gegeven aldus een lokale krant, maar hij had misschien nog wel meer genomen. Ook dat dilemma is vijftig jaar later niet opgelost – waar ligt de grens tussen interesse tonen voor wat door de westerse goegemeente altijd met meewarigheid wordt bekeken en culturele toe-eigening? Intussen had Brulin echter niet enkel zijn eigen wereld vergroot. Zijn faam lokte Amerikaanse theaterstudenten naar Curaçao en wat hij met hen op het eiland produceerde kon tot in New York worden opgevoerd en, in een poging uit de elitewereld van het theater los te breken, ook in alle aanlegplaatsen tussen Saint Louis en New Orleans, waar ze tijdens een lange tocht over de Mississippi aanlegden. In de tussentijd maakte hij onder meer nog producties in Suriname en liet hij zich inspireren door het nieuwe politieke theater in Venezuela. En ook Willemstad ’69 resoneerde mee: voor Brulin was het heel duidelijk dat 30 mei geen “brand” was geweest, maar een sociale opstand. En dat bleek het Nederlandse regime ook goed te beseffen, want toen hij er een socialistisch stuk wilde opvoeren kon dat alleen maar als het een “protest-musical” werd genoemd.

Na Curaçao ging Brulin aan de andere kant van de wereld doceren en theater maken. In Maleisië verwerkte hij onder andere elementen uit de Max Havelaar in producties met eens te meer lokale verhalen, de aanzet tot wat in de jaren tachtig, toen hij terug naar België kwam, het gezelschap TIE 3 zou worden: wereldtheater waarin de orale cultuur, muziek en dans een centrale plek kregen, maar waarin bijvoorbeeld ook stukken als Ba Anansi van Edgar Cairo een plek kregen. Het vormde de apotheose van een artistiek parcours waarin Brulin op zoek was gegaan naar verhaalpatronen die universeel leken, tegelijk puttend uit heel lokale, particuliere omstandigheden, maar ze zó presenterend dat ook buitenstaanders ze konden begrijpen. Het zou een program voor neerlandici kunnen zijn.

Ik rond af. De Vergelijkende Neerlandistiek gaat natuurlijk niet meteen een halt toeroepen aan de dalende studenteninstroom. Maar gehoopt kan worden dat het er evenmin een negatief effect op heeft, wanneer het vak zich, pardoes, midden in de wereld positioneert omdat het zich talig, cultureel en geografisch altijd tot de rest van die wereld verhoudt. “The centre cannot hold” dichtte William Butler Yeats – een vers dat meestal pessimistisch, onheilspellend zelfs wordt gelezen. Maar misschien is er ook een minder deprimerende interpretatie denkbaar. Vanuit een bepaalde hoek bekeken, zitten we allemaal in de periferie. Misschien is dat wel het toppunt van dekoloniaal denken: beseffen dat je zelf de marge bent. En dat het daar eigenlijk best goed toeven is.

 


Dit is de tekst van de keynote lezing van Geert Buelens, uitgesproken op 30 augustus 2018 in zaal MSI 00.20 van de KU Leuven, in het kader van het congres ‘Nederlands in beweging’, het 20ste Colloquium Neerlandicum van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek.


Noten:
[1]  De passage tussen teksthaken werd niet tijdens de lezing uitgesproken, maar is aan deze versie toegevoegd naar aanleiding van een vraag van een congresganger.
[2]  Het vervolg put uit het nawoord van Erwin Jans in De waterdrager en de dorstige. Tien theaterteksten van Tone Brulin (ASP 2017), de tentoonstelling Onwankelbare theatrale verbeelding die begin dit jaar in het Antwerpse M HKA te zien was, en een grote hoeveelheid knipsels via Delpher (met focus op berichtgeving uit de Antillen).
Afbeeldingen:
– Detail De Style (1993), Kerry James Marshall, Artsy
– ‘Hygge 101’, VisitDenmark
– ‘Palm Trees on Wind’
– Boekomslagen internationale neerlandistiek, v.l.n.r.: Homeless entertainment. On Hafid Bouazza’s Literary Writing (2007), Henriëtte Louwerse, Cultural Identity Studies / Peter Lang; Ieder zijn eigen Arnon Grunberg. Vertaling, promotie en receptie in Italië, Spanje, Catalonië, Portugal en Roemenië (2012), Dolores Ross, Arie Pos & Marleen Mertens (red.), Lage Landen Studies 3 / Academia Press; Inleiding literatuurgeschiedenis voor de internationale neerlandistiek (2010), Judit Gera & A. Agnes Sneller, Verloren.
– Kaart ‘Afrikaans-Dutch language world’, Wikimedia

Geert Buelens is hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Utrecht en gasthoogleraar in Stellenbosch. Hij is de auteur van onder meer De jaren zestig. Een cultuurgeschiedenis (2018).