Begin maart kreeg Özcan Akyol de pennen in beweging met zijn polemische boekenweekessay Generaal zonder leger. In dat boekje, voor een deel gebaseerd op eerdere columns van de auteur, trekt Akyol van leer tegen de in zijn ogen elitaire boekenwereld. De opvattingen van de rebelse dwarsdenker verdwenen echter al snel naar de achtergrond door de uitbraak van de coronacrisis. Ook ikzelf liet het boekje na een eerste lectuur al snel liggen om te kunnen wennen aan de quarantaine waarin ons gezin beland was. Deze week nam ik het echter weer eens ter hand en keerde dat gevoel terug dat me ook tijdens de eerste lezing overviel: een bepaalde welwillendheid om het met Akyol eens te zijn, die echter overschaduwd wordt door een onstuitbare ergernis. Hoewel ik principiële sympathie heb voor iedereen die een lans breekt voor een verbreding van de leescultuur en het literatuuronderwijs, is Akyol argumentatief een cowboy met een klappistooltje. Of, om bij de oorlogsmetaforiek uit zijn titel te blijven: een schutter zonder munitie.

Het treffendst blijkt dat uit de manier waarop Akyol over de academische studie van de Nederlandse literatuur schrijft. Hij creëert een clichématig drogbeeld van die discipline, dat helaas ook nog eens in zijn eigen ervaringen geworteld is. Akyol stelt dat hij na zijn doorbraak als auteur zijn studie aan de Vrije Universiteit afkapte en kijkt bepaald niet nostalgisch op die periode terug. Hij juicht het zelfs toe dat de studie aan de VU opgeheven werd – dan hoeft daar tenminste niemand ‘met zelfmoordneigingen in de schoolbanken te zitten’ (Akyol 2020: 11). De auteur raadt leerlingen op middelbare scholen dan ook stellig af om Nederlands te gaan studeren. Neerlandici – of zelfs breder: academici die zich bezighouden met literatuur – staan bij Akyol blijkbaar garant voor stoffigheid en intellectualisme, resulterend in gewrongen interpretaties die de mens elk leesplezier ontnemen.

Nu zat ik er niet bij toen Akyol in de collegebanken moest luisteren naar neerlandici ‘die elk zinnetje eindeloos willen ontleden, net zo lang tot ze de vermeende symbolische betekenis hebben gevonden die de auteur erin wilde stoppen’. Toch vermoed ik dat ik (bouwjaar 1986) in zo’n beetje dezelfde periode als Akyol (1984) gestudeerd moet hebben, en het type docent dat de auteur hier aanhaalt ken ik alleen uit herinneringen van mijn oudere collega’s. Akyol lokaliseert het hardnekkige structuralisme echter ook in Groningen, waar hij eens als gastschrijver een discussie tussen een professor en een klein groepje studenten bijwoonde, ‘in een bedompte zaal voor vijf man’ (13). In die leeskring doet een studente het voorstel om een passage met een lam uit Akyols debuutroman Eus (2012) symbolisch te lezen, waarna ze door haar docent gecomplimenteerd wordt. Het is reden voor hoon van de kant van Akyol: ‘Ze vroegen mij, de schrijver van de roman, helemaal niets, die hadden ze niet nodig voor hun analyse. In werkelijkheid had ik met die scène geen dieppsychologische motieven, zoals me daar in dat zaaltje werd toegedicht’ (14). Nu zou ik een heel betoog kunnen afsteken over de rol van de auteursintentie in tekstinterpretatie, waarover Akyol wel erg simplificerend schrijft, maar het is me hier om iets anders te doen. Het punt is dat Akyol zijn lezers wil doen geloven dat de (Groningse) neerlandistiek een elitair bastion is dat bij voorkeur pseudo-diepe lagen in teksten aanboort en zichzelf op die manier vervreemdt van de maatschappij.

Dat is evident een drogbeeld. Ik ben dan ook benieuwd wie die Groningse professor eigenlijk is. Akyol is rebels genoeg om schampere opmerkingen te maken over het ego van Daan Heerma van Voss, maar hij is niet de dwarsdenker die zijn academische vijanden uit de anonimiteit haalt. Het ligt echter voor de hand dat Akyol doelt op Gillis Dorleijn, die de leerstoel Moderne Nederlandse Letterkunde bekleedde toen de auteur debuteerde, en die ongetwijfeld zijn studenten complimenteerde als ze een gelaagde interpretatie aanvoerden. Als je Dorleijns wetenschappelijke carrière echter zou moeten samenvatten in één verdienste, dan is het wel dat hij heeft laten zien hoezeer zogenaamd objectieve interpretaties doortrokken zijn van poëticale en institutionele dimensies. De manier waarop Dorleijn zijn studenten en promovendi opleidde, had weinig tot niets te maken met de ‘dieppsychologische motieven’ die Akyol hen verwijt. Hij deed juist onderzoek naar het complexe proces waarin literatuur tot literatuur wordt gemaakt. Koren op de molen van Akyol, zou je zeggen, maar de schrijver van Generaal zonder leger heeft kennelijk niet de moeite genomen zich in die traditie van de neerlandistiek te verdiepen. En dat terwijl ook de huidige Groningse hoogleraar, Mathijs Sanders, tal van artikelen publiceerde over de relatie tussen literatuur en het grote publiek. Het laatste boek waarover hij de redactie voerde, draagt nota bene de naam Echte leesboeken: publieksliteratuur in de twintigste eeuw (2017).

Akyols aanval op de academie is dan ook volslagen ongeïnformeerd, zijn luttele jaren aan de VU ten spijt (of had hij gewoon zijn studie moeten afmaken?). Kennelijk denkt Akyol dat studenten in de letterkunde zich jarenlang bezighouden met het doorgronden van Hoge Literatuur, met als voornaamste onderzoeksvraag wat toch de juiste interpretatie van een symbolistisch gedicht zou kunnen zijn. Ironisch genoeg is het juist op basis van letterkundig onderzoek dat Akyols argumenten keer op keer doorgeprikt kunnen worden.

Zo neemt Akyol vele pagina’s de ruimte om te beweren dat schrijvers niet serieus worden genomen als ze ook een televisiefiguur zijn. Dat hij dat doet in een essay waarin hij de roem van Adriaan van Dis – het afgelopen decennium toch echt bekroond met de Constantijn Huygensprijs – memoreert, is op zichzelf al opmerkelijk. Echt problematisch wordt het als Akyol schrijft over de aanval van Harry Mulisch op Godfried Bomans:

Bomans en al die andere televisieschrijvers die daarop volgden, haalden capriolen uit die haaks stonden op het wereldbeeld van de literatoren die zelf een traditionele opvatting huldigden over hoe een schrijver zich diende op te stellen. (20-21)

Tot het tweede kamp hoort blijkbaar Mulisch, de grote elitaire traditionalist. Mulisch was echter helemaal niet anti-televisie. Sterker nog: in de periode 1955-1975 – de televisie was nog fonkelnieuw – verscheen hij het vaakst van alle schrijvers in een literatuurprogramma (Dera 2017). Zoals Sander Bax uitgebreid liet zien in zijn boek De Mulisch Mythe (2015), ventte Mulisch zijn imago zeer effectief uit door zich in allerhande media te manifesteren. Diezelfde Bax publiceerde vorig jaar onder de noemer De literatuur draait door een prikkelende analyse van de hedendaagse literatuur, die volgens hem onlosmakelijk verbonden is geraakt met de 21e-eeuwse mediacultuur (Bax 2019). Bax’ bevindingen staan haaks op de beweringen van Akyol, die slechts op anekdotische evidentie gebaseerd zijn. Waar Akyol optekent dat schrijvers in de literaire wereld als een melaatse worden behandeld als zij zich op televisie laten zien, toont Bax in een reeks case studies juist aan hoezeer het literaire veld is doortrokken van de contemporaine medialogica. Akyol had zijn betoog nota bene kunnen versterken door op dit soort publicaties terug te grijpen, maar hecht kennelijk te veel aan het drogbeeld van de neerlandistiek om ze überhaupt te bestuderen.

Dat wreekt zich ook in een tamelijk ridicule passage waarin Akyol ‘verstokte literatuurwetenschappers’ verwijt dat ze een hedendaagse vorm-of-ventdiscussie voeren. Op zichzelf is het al curieus dat Akyol de befaamde discussie uit het interbellum – sinds het proefschrift van Oversteegen (1969) toch echt een van de referentiepunten in de traditionele literatuurstudie die de essayist zo hekelt – als interpretatiekader hanteert. De manier waarop in Generaal zonder leger de polen ‘vent’ en ‘vorm’ worden uitgelegd, slaat intussen alles:

Ik wil de twistgesprekken van toen niet te veel oprakelen, omdat ze merkwaardig genoeg, ondanks alle technologische ontwikkelingen en een lezer die totaal is veranderd, nagenoeg op dezelfde manier worden gevoerd. Laten we daarom bij het heden blijven. ‘Vorm of vent’ behelst een afkeer van de oppervlakkige interesse in de auteur als persoon en diens leven buiten zijn publicaties (‘vent’). Er wordt gepleit voor zuivere analyses die alleen gericht zijn op het autonomistische werk, waarin vooral plaats moest bestaan voor ‘controleerbare’ observaties van de opbouw van literaire teksten (‘vorm’). (21)

Je kunt er zo een tentamenvraag van maken: ‘Schrijf een kritische reactie op Akyols parafrase van de vorm-of-ventdiscussie’. Mijn studenten zouden er wel raad mee weten, en opschrijven dat de ‘vent’-kant nu juist de persoonlijke overtuigingen van de auteur in het literaire werk terug wilde zien (het personalisme van Forum, een tijdschrift dat juist uiterst kritisch was op media-aandacht voor auteurs, bijvoorbeeld op de radio). Ze zouden ook opmerken dat in die vooroorlogse discussie helemaal geen sprake was van opmerkingen over ‘controleerbare observaties’. Akyols parafrase is feitelijk een bizarre mengvorm van de vorm-of-ventdiscussie en het kritische programma van het tijdschrift Merlyn (1962-1966), en rukt zo de ganse literatuurgeschiedenis uit zijn verband. Iemand die dat doet, zou je inderdaad met recht anti-academisch kunnen noemen.

Problematisch is ook dat Akyol net doet alsof academici geen interesse hebben in auteurs die ‘betekenisloos amusement’ (30) zouden produceren (het poëticale label komt van de essayist zelf). Sanders’ eerdergenoemde onderzoek naar publieksliteratuur (ja echt: publieksliteratuur) maakt al duidelijk hoe onhoudbaar dat standpunt is, maar zelfs de voorbeelden van ‘betekenisloos amusement’ die Akyol in zijn tekst opvoert, kunnen de toets der kritiek niet doorstaan. Zo lezen we over Herman Brusselmans:

Hoewel tienduizenden lezers zich reeds drie decennia trouw aan de auteur tonen, zal zijn werk niet geschaard worden onder échte literatuur, geen denken aan, want er zijn nu eenmaal wetten en regels, en wie die met de voeten treedt, maakt geen aanspraak op literaire erkenning van mensen die de taak op zich hebben genomen om boeken te beoordelen, het lezen aan te prijzen en jongeren te onderwijzen in de letteren. (31)

Die wetten en regels zullen inderdaad de reden zijn waarom Rick Honings, toch echt een neerlandicus met een uitstekende academische reputatie, recentelijk een biografie over Brusselmans schreef (Honings 2017). Ook Akyol zelf was overigens al onderwerp van twee academische scripties (Van den Akker 2018; Ten Tije 2017). Ik wil hem daarmee niet degraderen tot schrijver van ‘betekenisloos amusement’, maar je krijgt op basis van Generaal zonder leger toch niet bepaald de indruk dat hij tot de zogenaamde ‘hoge literatuur’ gerekend denkt of wenst te worden.

Dat die ‘hoge literatuur’ intussen ook gewoon doortrokken is van marketingstrategieën, blijft bij Akyol onder de radar. Zo verklaart hij de ‘weemoed’ waarmee mensen (blijkbaar) over Gerard Reve, Harry Mulisch en Willem Frederik Hermans spreken met enerzijds ‘de kracht van hun literatuur en hun stilistische vernuft, anderzijds met het simpele gegeven dat ze eindeloos inspiratie voor hun boeken konden putten uit de oorlog en het trauma dat daarop volgde’ (47). Dat Reve, Mulisch en Hermans net zo goed uitgroeiden tot bekende Nederlanders door handig gebruik te maken van de mogelijkheden die de massamedia hun boden, realiseert Akyol zich kennelijk niet. Juist academisch onderzoek had hem daarover kunnen informeren. Edwin Praat, die ook een belangwekkende studie schreef over de wijze waarop Gerard Reve zijn imago vormgaf (Praat 2014), heeft bijvoorbeeld laten zien dat de term ‘Grote Drie’ niets minder dan een marketingconstructie was. Hij rapporteerde er zelfs over in Literatuur, de voormalige bijlage van De Groene Amsterdammer (Praat 2006) – een tijdschrift dat Akyol weliswaar elitair en onleesbaar vindt, maar toch echt een veel breder publiek kent dan de academische goegemeente.

Nu De Groene Amsterdammer toch ter sprake komt: ook Akyols opmerkingen over de werking van de kunstkritiek zijn elke argumentatie vreemd. Neem de passage over het succes van Seven Sisters-schrijver Lucinda Riley. Akyol observeert dat de kwaliteitskranten pas aandacht aan haar werk gingen schenken nadat ze miljoenen boeken had verkocht. De reden: ‘Ze wilden een ramp duiden.’ Ik geloof dat die psychologisering van kunstcritici meer zegt over Akyols wereldvisie dan over het daadwerkelijke mechanisme dat Rileys latere aanwezigheid in kwaliteitskranten bepaalt. Zoals we weten uit onderzoek onder leiding van Susanne Janssen, heeft zich de laatste jaren een verschuiving in de kunstkritiek voorgedaan van een gatekeeper model naar een consumer-oriented model (Verboord & Janssen 2015). In de strijd om lezers is het niet langer van primair belang welke teksten aansluiten bij de smaak van de kunstcriticus, maar wordt de inhoud van de kunstbijlage mede bepaald door de keuzes van de consument. Juist in de kunstkritiek wordt de smaak van het grote(re) publiek (ergo: de koper) steeds doorslaggevender. Kwaliteitskranten drukken dan ook geen interview met Riley af om een ramp te duiden, maar omdat ze de lezers van Riley (dus geen ‘niet-lezers’, zoals ze volgens Akyol steevast worden genoemd) aan hun medium willen binden.

Sowieso is Akyols kruistocht tegen die kwaliteitskranten opmerkelijk. Natuurlijk: het zijn de spreekbuizen van de elitaire literatuurcritici die hij zo hekelt; de informatiekanalen van de niche die het oeuvre van Marie Kessels of Anton Valens bijhoudt. Toch is het al te makkelijk om NRC-recensent Thomas de Veen aan te vallen op zijn recensie over Niña Weijers’ Kamers antikamers. Gezien de aard van zijn betoog – de literatuur moet verlost van haar elitaire isolement! – zou het Akyol gesierd hebben als hij zich vooral ook op zijn eigen werkgever had gericht. NRC Handelsblad publiceert tenminste nog over Lucinda Riley; in Algemeen Dagblad is de literatuurkritiek inmiddels volledig gemarginaliseerd.

Aan het slot van Generaal zonder leger richt Akyol zich op het literatuuronderwijs, en ook daar verheft hij zijn particuliere ervaringen tot algemene wetten. Ik wil geenszins aan die ervaringen morrelen: Akyol heeft als schrijver vele scholen bezocht, ongetwijfeld met enorme bravoure. Ik geloof ook meteen – al is het maar op basis van mijn eigen ervaringen in het voortgezet onderwijs – dat 80 procent van de leerlingen een vinger opsteekt als Akyol vraagt wie er een ‘schijthekel aan lezen’ heeft (56). De ontlezing onder jongeren is een nijpend maatschappelijk probleem, dus alle lof voor Akyol dat hij zich inzet om tieners aan het lezen te krijgen. Problematisch is echter dat zijn verslaglegging daarover ten koste gaat van de gedreven literatuurdocent. Akyol tekent bijvoorbeeld op:

Als ik op scholen kom en met leraren praat, vraag ik ze altijd welke titels de kinderen verplicht voor het vak Nederlands moeten lezen. Een meerderheid van de docenten grijpt nog steeds terug op klassiekers als Gijsbrecht van Aemstel van Joost van den Vondel, Max Havelaar van Multatuli of meer recent Het gouden ei van Tim Krabbé. Een onderzoek naar populaire hedendaagse auteurs levert een schrale oogst op, met hier en daar een uitzondering. (60)

Het is inmiddels weinig verrassend dat Akyol niet onderbouwt hoe groot de bewuste ‘meerderheid’ precies is. Toevallig heb ik zelf uitgebreid onderzoek gedaan naar de leeslijsten van ruim 1600 leerlingen in de bovenbouw havo/vwo (Dera 2019), en wat blijkt: de titels die Akyol noemt, worden weliswaar door veel leerlingen gelezen en staan hoog in de ranglijst van meest gelezen titels, maar ze maken samen slechts zo’n 5% procent uit van de 15.743 titelselecties die de leerlingen in het onderzoek doorgaven. Op al die leeslijsten stonden maar liefst 1642 unieke titels, wat laat zien hoe ongelooflijk divers het palet aan literaire teksten in het voortgezet literatuuronderwijs is. Als Akyol opmerkt dat de ‘veelzijdigheid van de literatuur’ het verdient om ‘door te dringen tot het onderwijs’ (60), is er dan ook maar één repliek mogelijk: die veelzijdigheid is al doorgedrongen tot het onderwijs. Sterker nog: het aantal keer dat boeken van Simone van der Vlugt, Griet Op de Beeck en Saskia Noort op leeslijsten voorkomen, overstijgt het aantal Gijsbrecht van Aemstels  (en het aantal Akyols, overigens) in ruime mate.

Wat dan weer bijna niet gebeurt, is dat ‘leraren, op de automatische piloot, een leerling op de mavo de verzamelde gedichten van Nijhoff door de strot gaan duwen’ (61). Het is ongetwijfeld bedoeld als een hyperbool, maar Akyol schetst hier een zeer bedenkelijk beeld van mavoleraren, die in werkelijkheid Nijhoffloze overuren maken om motiverende werkvormen voor hun leerlingen te bedenken. ‘De meeste docenten hebben simpelweg geen tijd of zin om nieuwe literatuur van jonge schrijvers te lezen’ (61), beweert Akyol ook, terwijl onderzoek laat zien dat veel docenten Nederlands zich juist laten leiden door goedlopende, actuele boeken van mediagenieke (!) schrijvers (Dera 2018).

Het getuigt dan ook van onmetelijke arrogantie dat Akyol aan het eind van zijn betoog de volgende aanbeveling doet: ‘Literatuuronderwijs zou daarom veel meer op maat moeten worden gegeven, met hulp van de boekenbranche en auteurs, die scholen wegwijs kunnen maken.’ Het is al koddig dat de ‘boekenbranche’ – die gedurende het hele essay een elitaire houding is verweten – nu op school mag komen opdraven, maar Akyol zet hier vooral de expertise van de docenten zelf buitenspel. ‘De leraar kan wel roepen dat literatuur ontzettend waardevol is, maar het maakt – in de meeste gevallen – meer indruk als iemand uit het veld erover vertelt’ (57), merkt Akyol bijvoorbeeld op. Dat laatste weten we uit onderzoek helemaal niet. Wat we wel weten, is dat gedreven literatuurdocenten niet zomaar iets ‘roepen’, maar dat ze hun leerlingen op het juiste moment van het goede boek proberen te voorzien, waarbij ze vooral ook handelen op grond van hun kennis over de leerlingen in kwestie (Witte 2008). Het idee dat het bezoek van ‘iemand uit het veld’ – hoe belangrijk zo’n activiteit ook is, mits goed gedidactiseerd – meer succes gaat sorteren dan de gedifferentieerde en persoonlijke benadering van een betrokken docent, is volkomen uit de lucht gegrepen.

‘Ik ben helemaal vóór populisme, zeker als het de goede zaak dient’ (40), schrijft Akyol halverwege zijn betoog. Is het een goede zaak als jongeren deze auteur serieus nemen als hij ze zegt dat ze vooral geen Nederlands moeten gaan studeren? Als studenten Nederlands iets leren, dan is het hoe ze een tekst kritisch moeten lezen – of dat nu een literaire of een zakelijke tekst is. Wat die vaardigheid betreft mogen we Akyol op zijn minst voor één ding dankbaar zijn. Hij heeft met Generaal zonder leger voorbeeldig onderwijsmateriaal geleverd om die kritische exercitie mee te oefenen.

 

 


Bibliografie
Akker, I. van den. (2018). Stampvoetend tussen twee werelden. Scriptie Radboud Universiteit Nijmegen.
Akyol, Ö. (2020). Generaal zonder leger. Amsterdam: Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse boek.
Bax, S. (2015). De Mulisch mythe: Harry Mulisch: schrijver, intellectueel, icoon. Amsterdam: Meulenhoff.
Bax, S. (2019). De literatuur draait door: de schrijver in het mediatijdperk. Amsterdam: Prometheus.
Van Boven, E., Sanders, M. & Verstraeten, P. (red.). (2017). Echte leesboeken: publieksliteratuur in de twintigste eeuw. Hilversum: Uitgeverij Verloren.
Dera, J. (2017). Sprekend kritiek: literatuurprogramma’s in de vroege jaren van de Nederlandse radio en televisie. Hilversum: Uitgeverij Verloren.
Dera, J. (2018). ‘De lezende leraar: Literatuuronderwijs in Nederland(s) als onderzoeksobject’. Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (TNTL), 134(2), 146-170.
Dera, J. (2019). De praktijk van de leeslijst: een onderzoek naar de inhoud en waardering van literatuurlijsten voor het schoolvak Nederlands op havo en vwo. Amsterdam: Stichting Lezen.
Honings, R. (2017). Majoor van het menselijk leed: leven, werk en imago van Herman Brusselmans. Amsterdam: Prometheus.
Praat, E. (2006). ‘De grote drie’. De Groene Amsterdammer, 21-6-2006.
Praat, E. (2014). Verrek, het is geen kunstenaar. Gerard Reve en het schrijverschap. Amsterdam: AUP.
Verboord, M. & Janssen, S. (2015). ‘Arts Journalism And Its Packaging In France, Germany, The Netherlands And The United States, 1955-2005’. Journalism Practice, 9(6), 829-852.
Ten Tije, S. (2017). Van straatvechter tot kunstenaar. Scriptie Universiteit Utrecht.
Witte, T. (2008). Het oog van de meester: Een onderzoek naar de literaire ontwikkeling van havo- en vwo-leerlingen in de tweede fase van het voortgezet onderwijs. Delft: Eburon.

 

Afbeelding
Detail ‘Room’, Michal Jarmoluk via Pixabay

Jeroen Dera (1986) is als neerlandicus verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij is daar opleidingscoördinator van de master Educatie in de Taal- en Cultuurwetenschappen en vakdidacticus Nederlands binnen de Radboud Docenten Academie. Zijn huidige onderzoek concentreert zich op de manier waarop het Nederlandse literatuuronderwijs ideeën over literatuur en literariteit vormgeeft. Ook publiceert hij regelmatig over Nederlandstalige poëzie. Daarover staan momenteel twee boeken gepland: de monografie Poëzie als alternatief (Wereldbibliotheek, 2021) en – met Charlotte Van den Broeck – Woorden temmen ​(2020), waarin de lezer op activerende wijze kennismaakt met de Nederlandse poëzie.