De bovenstaande reconstructie lokt de vraag uit waar en wanneer met de thans zo vanzelfsprekende associatie tussen Conscience en racisme een begin werd gemaakt. Welnu, de vroegste sporen ervan zijn aan te treffen nauwelijks enkele jaren na de dood van de schrijver. Een voorbeeld bevat de rubriek ‘Tap in, tap uit’ die Jules De Bleye (1846-1901) onder zijn nom de plume Jan de Zot bijhield voor de socialistische krant Vooruit. Terugblikkend op zijn schooltijd noteerde deze schilder en kunstcriticus, tevens goede vriend van Edward Anseele, op 3 augustus 1891: ‘Men stampte ons den rassenhaat in.’ In dit door hem gehekelde pedagogische project vervulde Hendrik Conscience een sleutelrol:

‘Ons hart trilde van zalige aandoening als de hoofdonderwijzer in persoon ons de les van geschiedenis gaf, waarin wij leerden dat ten jare 1300 en oneffen de Bruggelingen aan de poorten hunner stad al doodsloegen wie niet met zuiveren vlaamschen tongval zeggen kon: Schild en Vrind. […] De Leeuw van Vlaanderen en de Boerenkrijg lazen wij in eenen adem uit; dat werkte zóó heilzaam, dat wij fier waren den twaalfjarigen knaap van Barbara de Walin (die jongen sprak waalsch) eene ferme rossing gedraaid te hebben, na eerst zijne muts in de stoof verbrand te hebben, omdat hij ons maar eens scheef had durven bezien!’ [1]

Rassenhaat valt in deze context niet zomaar samen met wat we vandaag onder racisme begrijpen. De Bleye hekelt de vijandigheid tussen Europese volkeren onderling en elke vorm van overdreven vaderlandsliefde. Hier is nog geen sprake van afkeer voor een niet-witte ander, de kern van het tegenwoordige racisme-begrip. Ik kom op deze belangrijke terminologiekwestie in een latere aflevering uitvoerig terug. Voor nu is slechts van belang dat uitspraken als die van De Bleye de combinatie Conscience–rassenhaat gemeengoed hebben gemaakt. We mogen aannemen dat deze combinatie rond de op één na laatste eeuwwisseling vaker circuleerde, zeker in socialistische kringen waar de Vlaamse letterkunde toen almaar luider werd verweten dat ze in de strijd tegen sociaal onrecht te afwezig bleef.

Hadden Vlaamse volksverheffers al niet voluit de kant gekozen van het kapitaal en de burgerij, dan hadden ze in ieder geval hun gebrek lijdende volk te vaak in de steek gelaten. Dat was in een notendop de visie van de zonet al genoemde Edward Anseele. In Vooruit en de Vlaamse beweging (1913) stelde de socialistische voorman:

‘Door een floers van taal- en stammenstrijd voor de oogen der werkers neer te hangen, deden zij [de flaminganten] hen het helder doorzicht in de oorzaken hunner afhankelijkheid, in de middels om haar te vernietigen verliezen en, nu en dan, voerden zij zachtjes enkele jonge harten en sentimenteele gemoederen onzer klasse naar een geestestoestand vol zinsbedrog op, waardoor zij voor den werkersstrijd verloren waren.’[2]

Anders gezegd, de Vlaamse beweging had het proletariaat een vals bewustzijn aangepraat en niet aangemoedigd tot klassenstrijd, maar opgejut tot een ‘stammenstrijd’ die dreef op ‘rassentrots en rassenhaat’[3]. Op een drietal uitzonderingen na – Emiel Moyson, Eugeen Zetternam en Hendrik Van Offel[4] – was  ‘niemand van de vlaamsche kunstwereld’ de socialisten in hun strijd ‘bijgesprongen’.[5] De rest gaf Anseele dan ook op hun donder, zelfs de toch niet noodzakelijk asociale nieuwlichters August Vermeylen en Cyriel Buysse. Eerstgenoemde was te ‘anarchistisch’ naar Anseeles zin. Buysses talent waardeerde hij wel – Anseele sprak met waardering over Het gezin van Paemel en De biezenstekker – maar dat volstond niet voor een goed rapport. Zeker ’n Leeuw van Vlaanderen (1900) was Anseele in het verkeerde keelgat geschoten. In deze nota bene in Vooruit als feuilleton verschenen roman had Buysse een socialistische leider geportretteerd waarin Anseele niet onterecht ‘eene platte karikatuur’ herkende ‘van iemand, die van anders niet spreekt dan van beafstukken, nog beafstukken en altijd beafstukken’.[6] Deze karikatuur heette Jan Kappuijns, maar voor de meeste lezers van ’n Leeuw van Vlaanderen was het wel duidelijk dat Anseele geviseerd werd.[7] In later werk van Buysse bespeurde Anseele weinig beterschap: ‘Stelt zijn Biezenstekker tegenover zijn Uit het Leven van Rozeken van Dalen [een in twee boekdelen uitgegeven roman uit 1904, k.a.], en gij zult moeilijk gelooven dat beide werken uit dezelfde pen vloeiden. ’t is Zola en Hendrik Conscience in hetzelfde brein.’[8]

Intussen hadden August Vermeylen en Cyriel Buysse ook wel begrepen dat de nationale hoogdravendheid van Conscience in bepaalde Vlaamsgezinde milieus meer kwaad dan goed aanrichtte. Anti-Belgische gevoelens en een heftige taaltrots, occasioneel aangelengd met pan-Germaanse opvattingen, dreigden in het fin de siècle om te slaan in een fanatieke vijandigheid tegenover de Franstalige cultuur. Een dergelijk, op simplistische slogans drijvend flamingantisme hoefde niet langer op de steun van Vermeylen of Buysse te rekenen. Dit betekende echter niet dat ze de erfenis van Conscience voortaan links lieten liggen. Ze probeerden veeleer om de door hen nog wel gewaardeerde verteller te bevrijden uit de klauwen van flaminganten die met zijn werk hun nationale eigendunk en onverdraagzaamheid opsmukten.[9]

In zijn ‘Kritiek der Vlaamse Beweging’ (1896) had Vermeylen bijvoorbeeld uitgebreid stilgestaan bij de ‘rassenhaat’-problematiek. Met dat begrip stond hem – net als De Bleye hierboven – in de eerste plaats de negatieve gevoelens van sommige flaminganten jegens de Franstaligen en de Franse cultuur voor ogen. Zonder namen te noemen viseerde hij pangermanisten à la Jan-Matthijs Brans, medestichter van het Brusselse literaire genootschap De Distel en de profeet van een ‘aanstaande rassenstrijd tussen de Germaanse en Latijnse volkeren’.[10] Of een figuur als Maurits Josson, die in permanente angst voor Frans imperialisme leefde en daarover boeken schreef met sprekende titels zoals Frankrijk, de eeuwenoude vijand van Vlaanderen en Wallonië (1913).[11]

Vermeylen nam afstand van de vrees voor die ‘eeuwenoude vijand’ en hekelde de drammerige retoriek van de angstzaaiers, omdat die al snel in onverdraagzaamheid verzandde:

‘Ik weet dat men mij de mond zal stoppen met Kerels-Klauwaerts-Leeuw-van-Vlaanderen-Artevelde, en zie reeds een horizont van goedendagen oprijzen – de flamingant moet altijd een goedendag in de hoek van zijn kleerkast bewaren, voor de grote landdagredevoeringen – maar de gevechten van onze voorouders verschillen zeer van de tegenwoordige, en de maatschappij is een heel ander iets geworden.’

Lijkt het even alsof Vermeylen met Conscience zelf de vloer wil aanvegen door zo uitdrukkelijk te verwijzen naar diens grote historische romans (De leeuw van Vlaenderen, Jacob van Artevelde, De Kerels van Vlaanderen)? Het is slechts schijn. Vermeylen neemt de ‘goede en beminde Conscience’ juist in bescherming tegen de goedendag-adepten en prijst hem als ‘de degelijkste arbeider van onze zaak’. Vermeylen spaarde zijn kritiek voor de anachronistische dwepers en taalfetisjisten die mede door een kortzichtige lectuur van Consciences werk verstrikt waren geraakt in superioriteitswanen en Fransvijandigheid.

Cyriel Buysse nam in deze periode een vergelijkbare houding aan. Zo borstelde hij in de al genoemde roman ’n Leeuw van Vlaanderen niet alleen een karikatuur van Anseele en zijn entourage. Een veel vernietigender beeld schiep hij in diezelfde roman van het type geborneerde flamingant dat Vermeylen zo verafschuwde. In de roman loopt een Atheneumleraar rond die Koppens heet en – what’s in a name – halsstarrig onverdraagzaam is voor al wat Frans en Franstalig is.[12] De verteller noteert dat deze Koppens bevangen is door ‘bloed- en rassenhaat hem overgebracht door zijn ouders en zijn voorouders, wier bloed de heuvels van Gavere en de vlakten van Groeningeveld had gedrenkt’.[13]

Koppens mag dan wel te pas en te onpas strijdkreten uit het werk van Conscience plukken, ook bij Buysse blijft een cruciale nuance overeind: Conscience kan moeilijk verantwoordelijk worden gehouden voor aberrant flamingantisch gedrag, ook al bevatten zijn grote historische romans bruikbare retoriek waarmee zulk gedrag kon worden aangewakkerd.[14] ’n Leeuw van Vlaanderen knipoogt dus niet vrijblijvend naar de beroemde roman, maar brengt een kleine hommage aan ‘vadertje’ Conscience.[15]

Zijn waardering voor Conscience zou Buysse in 1905 nog preciezer onder woorden brengen. In een essay voor Groot Nederland zette hij de schrijver neer als een wat naïeve en literair-technisch voorbijgestreefde verteller, maar wel één die zijn volk had getroost.[16] Dat was een kwaliteit die de gedoodverfde naturalist miste in zijn eigen tijd.[17] Dat de auteurs rond het tijdschrift Van Nu en Straks een kritische, minder romantische toon hadden gevonden was op zich een goede zaak. Intussen dreigde echter de band met het nog altijd om troost verlegen zittende Vlaamse volk verloren te gaan. En dat kon nu ook weer niet de bedoeling zijn. Het verklaart ten dele Buysses eigen wending, van de ontluisterende toon in zijn vroegere werk naar een wat meer omfloerst realisme, waarin ironie en intellectuele kritiek medeleven met de personages minder in de weg zitten. Zo bekeken was Anseeles typering van Het leven van Rozeke van Dalen ­– ‘Zola en Hendrik Conscience in hetzelfde brein’ – niet eens zo slecht getroffen.

Samengevat, Vermeylen en Buysse beseften de eenzijdigheid van een flamingantisch discours dat zich exclusief op culturele en etnische identiteit toespitste. Ze zagen wel in dat het werk van Conscience aan dat discours had bijgedragen, maar wezen er terzelfdertijd op dat de felste flaminganten de grote volksschrijver eenzijdig hadden gelezen.[18] Hun interventies ten spijt zouden ze er echter niet in slagen om deze eenzijdigheid een halt toe te roepen.


Wordt vervolgd…

 


Dit artikel maakt deel uit van Kevin Absillis’ feuilleton
Het slechte geweten van Vlaanderen. Over het racisme van Hendrik Conscience (1812-1883)

<< Lees dubbelaflevering 1: ‘Conscience in het rijk van Mordor’ en 2: ‘Wat een schrijver lijden kan’

>> Lees aflevering 4: ‘Creatief met Conscience’


Noten
* Een tweede waarschuwing is niet ironisch bedoeld: deze artikelenreeks bevat citaten met racistische termen alsook verwijzingen naar raciale ideeën en uitlatingen die kwetsend en aanstootgevend kunnen zijn. Het is niet de bedoeling van de auteur om deze termen en opvattingen te reproduceren, maar kritisch te onderzoeken en historisch te begrijpen. Begrijpen mag in deze context niet worden verward met goedpraten: de auteur probeert dit onderscheid goed te bewaken en hoopt dat de lezer bereid is dezelfde inspanning te leveren.
[1] J. De Zot [ps. J. De Bleye], ‘Tap in, tap uit’, in: Vooruit, 3 augustus 1891, p. 1. Zie ook M. Van Ginderachter, The Everyday Nationalism of Workers. A Social History of Modern Belgium, Stanford, 2019, p. 99 e.v.
[2] E. Anseele, ‘Vooruit’ en de Vlaamsche beweging, Gent, 1913, p. 19.
[3] Ibid., p. 18.
[4] Uit bescheidenheid allicht liet Anseele zijn eigen literaire verdiensten onvermeld: de publicatie van Voor ’t volk geofferd (1881), een lijvige sleutelroman over de strijd van Emiel Moyson, die qua stijl en compositie nog sterk aanleunde bij Hendrik Conscience, maar zijn lezers wél een revolutionaire boodschap meegaf.
[5] Anseele, 1913, p. 37.
[6] Ibid. p. 11.
[7] Al had Anseele zeker niet alleen model gestaan. Ook Ferdinand Hardijns en Jan Samijn zouden Buysse hebben geïnspireerd, zie K. Humbeeck, ‘Cyriel Buysses kritiek van de Vlaamse beweging of de politieke betekenis van de roman ’n Leeuw van Vlaanderen (1900)’, in: Wt, 2017/1, p. 5-59, p. 7-8.
[8] Ibid.
[9] Over Vermeylen en Conscience: K. Humbeeck & K. Absillis, ‘De man wiens volk hem niet meer wil lezen’, in: K. Humbeeck, K. Absillis & J. Weijermars (red.), De grote onleesbare. Hendrik Conscience herdacht, Gent, 2016, p. 20 e.v.
[10] L. Saerens, ‘Antisemitisme’, in: NEVB online, 28 augustus 2020.
[11] Vgl. Humbeeck 2017, p. 25.
[12] C. Buysse, Verzameld werk. Deel 1, Brussel, 1974, p. 924.
[13] Ibid. p. 953.
[14] Vgl. K. Humbeeck, ‘Natieconstructie als kleine provocatie van onze literatuurwetenschap’, in: G. Willems & B. De Wever (red.), De verbeelding van de leeuw. Een geschiedenis van media en natievorming in Vlaanderen, Antwerpen,  p. 73-115, p. 82-83.
[15] Zie K. Humbeeck, ‘Cyriel Buysses kritiek van de Vlaamse beweging of de politieke betekenis van de roman ’n Leeuw van Vlaanderen (1900)’, in: Wt, 2017/1, p. 5-59, p. 7-8.
[16] C. Buysse, Verzameld werk. Deel 7, 1982, p. 62-66.
[17] Buysse had die kritiek al eens in het Frans onder woorden gebracht in ‘Les lettres flamandes’ een bijdrage die hij schreef voor de Revue Encyclopédique Larousse, zie M. de Bont, ‘Ein Kampf um die Wirklichkeit. Hendrik Conscience aus der Sicht von Cyriel Buysse’, in: H. Van Uffelen e.a. (red.), Literatur in Bewegung. Über die Dynamik von Texten in der niederländischen Literatur, Wenen, 2017, 289-309. [Wiener Schriften zur niederländischen Sprache und Kultur 7]
[18] Humbeeck & Absillis, 2016, p. 25 e.v.
Afbeelding
Bewerking ‘Standbeeld van Hendrik Conscience (1883) door Frans Joris voor de gelijknamige Erfgoedbibliotheek in Antwerpen’, Ad Meskens via Wikimedia Commons.

Kevin Absillis (1980) is docent moderne Nederlandstalige literatuur en algemene literatuurwetenschap aan de Universiteit Antwerpen. Deze artikelenreeks zal in het voorjaar van 2021 in uitgebreide vorm verschijnen in Wt. Tijdschrift over de geschiedenis van de Vlaamse beweging en is bedoeld als de opmaat voor een cultuurhistorische monografie met als werktitel ‘Het slechte geweten van Vlaanderen. Over racisme en de culturele verbeelding sinds Hendrik Conscience’. Absillis publiceerde eerder onder meer Vechten tegen de bierkaai. Over het uitgevershuis van Angèle Manteau (2010) en, samen met Wendy Lemmens, tekstedities van Felix Timmermans’ Pallieter (2016) en Hugo Claus’ De verwondering (2018).